ECLI:NL:CRVB:2013:1030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2013
Publicatiedatum
17 juli 2013
Zaaknummer
12-2284 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 18 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan arbeidspsychologisch onderzoek

Appellant werd door het college van burgemeester en wethouders van Heerlen verplicht om mee te werken aan een arbeidspsychologisch onderzoek om zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling te beoordelen. Ondanks meerdere schriftelijke uitnodigingen en telefonische aanmaningen verscheen appellant niet voor het onderzoek bij Aob Compaz op 12 mei 2011. Het college legde daarom een verlaging van de bijstand met 20% op, met ingang van 1 mei 2011, voor de duur van de tekortkoming met een minimum van één maand.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet schriftelijk op de hoogte was gesteld van de opdracht aan Aob Compaz en niet wist wat de doelstelling en gevolgen van het onderzoek waren. De Raad concludeerde echter dat appellant op 9 mei 2011 op de hoogte was of had kunnen zijn van de opdracht en de inhoud van het onderzoek, mede door de gesprekken met zijn inkomensconsulent en de brieven van Aob Compaz. Het niet verschijnen zonder geldige reden betekent dat appellant zijn arbeidsverplichtingen volgens artikel 9, eerste lid, WWB heeft geschonden.

De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand heeft verlaagd op grond van artikel 18, tweede lid, WWB. Het hoger beroep slaagde niet en de uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 20% wegens onvoldoende medewerking aan het arbeidspsychologisch onderzoek wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/2284 WWB
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 maart 2012, 11/1481 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.J.A. Bertholet.

OVERWEGINGEN

1.
Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en voor het van toepassing zijnde wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1.
Bij brief van 11 april 2011 heeft het college appellant meegedeeld dat hij niet langer is ontheven van de ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) op hem rustende arbeidsverplichtingen en dat onderzocht zal worden of en in hoeverre appellant aan deze verplichtingen kan voldoen. In verband hiermee wordt appellant uitgenodigd voor een gesprek op 19 april 2011 met zijn inkomensconsulent. Tijdens dit gesprek is met appellant besproken dat een arbeidspsychologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht om de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling te kunnen beoordelen. Bij brief van 3 mei 2011 heeft het college deze afspraak aan appellant bevestigd en meegedeeld dat het reïntegratiebedrijf Aob Compaz (Aob Compaz) de opdracht is verstrekt het onderzoek uit te voeren. Vervolgens wordt appellant bij brief van 3 mei 2011 door Aob Compaz opgeroepen om te verschijnen voor een psycho-diagnostisch onderzoek. In die brief wordt appellant uitgelegd waaruit dit onderzoek bestaat, hoeveel tijd de verschillende onderdelen in beslag nemen en door wie en op welke data deze zullen worden uitgevoerd. Het eerste onderdeel, de intake door de psycholoog, zal op 12 mei 2011 om 11.15 uur plaatsvinden. Deze uitnodiging is herhaald in een brief van Aob Compaz van 9 mei 2011, waarbij is aangegeven dat appellant is uitgenodigd naar aanleiding van de aanvraag door de gemeente Heerlen, afdeling Welzijn. Appellant wordt geadviseerd contact op te nemen met zijn inkomensconsulent van de gemeente Heerlen voor verdere informatie omtrent de reden van deze aanmelding. Op 12 mei 2011 heeft appellant zijn inkomensconsulent meegedeeld dat hij Aob Compaz een schriftelijke reactie heeft gestuurd naar aanleiding van hun uitnodiging en dat hij voorts niet in staat is om naar de afspraak te gaan omdat hij geen geld heeft. Appellant is niet verschenen voor het onderzoek op 12 mei 2011.
1.2.
Bij besluit van 16 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van
1 mei 2011 verlaagd met 20% op de grond dat appellant in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling door op 12 mei 2011 niet te verschijnen voor een onderzoek bij Aob Compaz. Deze maatregel wordt opgelegd voor de duur van de tekortkoming met een minimum van één maand. Appellant kan de maatregel beperken door alsnog zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek bij Aob Compaz en zal hierover een nieuwe oproep ontvangen.
1.3.
Bij besluit van 23 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2011 in zoverre gegrond verklaard dat de maatregel wordt beperkt tot één maand.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep op de hieronder nader te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil spitst zich uitsluitend toe op de vraag of appellant verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Appellant heeft hiertoe - samengevat en voor de beoordeling van het onderhavige geschil van belang - aangevoerd dat hij niet schriftelijk op de hoogte is gesteld van de opdracht van het college aan Aob Compaz om een arbeidspsychologisch onderzoek uit te voeren, dat hij de brief van het college van 3 mei 2011 niet heeft ontvangen en dat hij niet op de hoogte was van de doelstelling van het onderzoek noch wat in verband hiermee zijn rechten en plichten waren.
4.2.
Het college heeft op 11 april 2011 appellant meegedeeld dat de uit de WWB voortvloeiende arbeidsverplichtingen weer volledig voor hem gelden. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat hij tijdens een gesprek op 19 april 2011 met zijn inkomensconsulent op de hoogte is gesteld dat in verband met deze op hem rustende verplichtingen een arbeidspsychologisch onderzoek zal worden aangevraagd. Voorts is appellant in de brieven van Aob Compaz van 3 mei 2011 en 9 mei 2011 uitvoerig geïnformeerd uit welke onderdelen het onderzoek zal bestaan, dat het niet verschijnen op de afspraken gevolgen zou kunnen hebben voor zijn uitkering en dat hij voor verdere informatie contact op kan nemen met zijn inkomensconsulent. Daarnaast heeft de inkomensconsulent van appellant hem op 12 mei 2011 uitdrukkelijk telefonisch meegedeeld dat van appellant verwacht wordt dat hij op de afspraak, later die dag, bij Aob Compaz zal verschijnen en zijn medewerking aan het onderzoek zal verlenen. Hieruit blijkt dat appellant in ieder geval op 9 mei 2011 op de hoogte was dan wel kon zijn dat Aob Compaz van de gemeente Heerlen, afdeling Welzijn, de opdracht tot het uitvoeren van een psycho-diagnostisch onderzoek heeft ontvangen. De vraag of op het college de verplichting rust om appellant een kopie van de feitelijke opdracht voor een dergelijk onderzoek aan Aob Compaz te verstrekken en of appellant de aan hem verstuurde bevestiging van 3 mei 2011 van deze opdracht heeft ontvangen kan en zal de Raad in het midden laten.
Geconcludeerd wordt dat appellant - zonder opgave van een geldige reden - niet is verschenen.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat appellant de op hem rustende verplichting ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft geschonden en niet gezegd kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was dan ook gehouden om op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant te verlagen. Tegen de omvang van de opgelegde verlaging zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.
4.4.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) J.T.P. Pot

EH