ECLI:NL:CRVB:2013:1117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens overschrijding verblijf buitenland zonder dringende redenen
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en had toestemming voor verblijf in het buitenland tot 2 februari 2011. Zij keerde later terug vanwege ziekenhuisopname, maar verbleef langer dan de wettelijk toegestane periode van dertien weken buiten Nederland. Het college schortte daarom de bijstand op en trok deze in over de periode van 3 februari tot en met 4 maart 2011.
Appellante voerde aan dat zij na terugkeer in Nederland in een acute noodsituatie verkeerde en dat er daarom dringende redenen waren om bijstand te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de periode waarin geen recht op bijstand bestond, niet verlengd kon worden met de periode na terugkeer.
De Raad stelde vast dat appellante verzekerd was tegen ziektekosten, in het buitenland verzorgd werd en dat zij dankzij leningen van familieleden in haar noodzakelijke kosten kon voorzien. Er waren geen zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 WWB Pro om af te wijken van de intrekking. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens overschrijding verblijf buitenland zonder dringende redenen.