ECLI:NL:CRVB:2013:1139
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 24 maart 2000 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Deze uitkering werd per 16 december 2007 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, een besluit dat in rechte vaststaat.
Op 29 juni 2010 meldde appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt en deed zij een beroep op de Amber regeling van artikel 39a WAO. Het UWV weigerde echter een nieuwe uitkering toe te kennen omdat niet was voldaan aan de eis van ten minste vier weken toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep oordeelt de Raad dat het medische onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de overgelegde nieuwe informatie geen ander oordeel rechtvaardigt. De medische stukken dateren van na de relevante periode en zijn niet vergelijkbaar met een verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijk deskundige en ook geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is beëindigd wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid.