ECLI:NL:CRVB:2013:1153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap voor AOW vanaf vestiging in Nederland
Appellant, geboren in 1960 op Curaçao en houder van de Nederlandse nationaliteit, betwistte dat hij vanaf 6 augustus 1987 als ingezetene van Nederland moest worden beschouwd voor de AOW. Hij was op die datum vanuit de Nederlandse Antillen naar Nederland gekomen om te studeren en had zich toen ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
De Sociale verzekeringsbank (Svb) had appellant als ingezetene aangemerkt vanaf 1 augustus 1988, één jaar na vestiging, omdat toen een duurzame persoonlijke band met Nederland zou zijn ontstaan. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad overwoog dat ingezetenschap wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden en of er een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat. Hoewel appellant direct na aankomst sociale activiteiten ontplooide en ingeschreven stond in de GBA, was zijn intentie bij aankomst niet gericht op blijvende vestiging. Hij kwam primair voor studie en had familie in Curaçao. Hierdoor was er geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland vóór 1 augustus 1988.
De Raad concludeerde dat appellant niet verzekerd was in de zin van de AOW voor de periode vóór 1 augustus 1988 en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Appellant wordt niet als ingezetene van Nederland aangemerkt vóór 1 augustus 1988 en heeft daardoor geen recht op AOW-verzekering voor die periode.