ECLI:NL:HR:2011:BP6285
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over fiscale woonplaatsbegrip in Algemene Kinderbijslagwet
Belanghebbende, met Vietnamese nationaliteit en sinds 2000 in Nederland verblijvend, vroeg kinderbijslag aan op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Sociale verzekeringsbank kende dit toe vanaf het tweede kwartaal van 2007, maar belanghebbende stelde aanspraak te hebben vanaf het eerste kwartaal van 2006. De Rechtbank en de Centrale Raad verklaarden het beroep ongegrond, waarbij de Centrale Raad oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan het vereiste van ingezetenschap vanwege het ontbreken van een juridische en economische binding met Nederland.
In cassatie stelde belanghebbende dat de Centrale Raad een onjuiste uitleg gaf aan het begrip ingezetene en woonplaats in de AKW. De Hoge Raad bevestigde dat het woonplaatsbegrip in de AKW moet aansluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip, waarbij een duurzame persoonlijke band met Nederland bepalend is, zonder dat het middelpunt van het maatschappelijke leven noodzakelijkerwijs in Nederland moet liggen.
De Hoge Raad oordeelde dat de Centrale Raad ten onrechte het criterium hanteerde dat het middelpunt van het maatschappelijke leven in Nederland moet zijn gelegen en dat een sterke sociale binding het ontbreken van juridische en economische binding moet compenseren. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van de Centrale Raad en verwees de zaak terug voor hernieuwd onderzoek met inachtneming van deze uitleg. Tevens werd de Sociale verzekeringsbank veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Centrale Raad vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwd onderzoek met inachtneming van het fiscale woonplaatsbegrip.