ECLI:NL:CRVB:2013:1186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontheffing arbeidsverplichtingen WWB bij medische klachten
Appellant, die bijstand ontvangt op grond van de WWB, verzocht het college om volledige vrijstelling van arbeidsverplichtingen vanwege ernstige, chronische medische klachten. Het college verleende ontheffing van de sollicitatieplicht, maar verplichtte appellant mee te werken aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat geen aanleiding was voor een verdere ontheffing en dat appellant kon deelnemen aan sociale activering. Appellant stelde in hoger beroep dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat het college nader onderzoek had moeten doen, en betoogde dat een sociaal activeringstraject niet tot arbeid zal leiden.
De Raad overwoog dat het college beleidsvrijheid heeft bij het bepalen van ontheffingen en dat het besluit gebaseerd was op recente medische rapporten, waaronder een bedrijfsartsadvies dat appellant belastbaar achtte voor een traject naar werk. Appellant leverde geen recente medische gegevens aan die dringende redenen voor een verdere ontheffing zouden rechtvaardigen.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het college terecht geen verdere ontheffing heeft verleend. Ook het argument dat sociale activering zinloos zou zijn, faalde omdat er geen vergelijkbaar oordeel bestond dat re-integratieperspectief ontbreekt.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd, en er worden geen proceskosten aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet verdergaand wordt ontheven van arbeidsverplichtingen onder de WWB.