ECLI:NL:CRVB:2013:1195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de sociale recherche een onderzoek naar haar inkomsten en woonsituatie. Uit het onderzoek bleek dat appellante inkomsten had uit werkzaamheden bij een café en dat zij samenwoonde met haar vriend, wat zij betwistte.
Het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar herzag haar recht op bijstand en trok deze in vanaf 1 juli 2009 wegens het niet melden van gezamenlijke huishouding en het niet overleggen van inkomensgegevens van haar vriend. Tevens werd een bedrag van €12.329,63 teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond.
Appellante voerde aan dat zij en haar vriend een LAT-relatie hadden en geen gezamenlijke huishouding voerden. De Raad oordeelde dat de feitelijke omstandigheden, waaronder het regelmatig samen slapen, gezamenlijke kosten en wederzijdse zorg, wezen op een gezamenlijke huishouding. De kwalificatie van appellante als LAT-relatie deed hieraan niet af.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen op grond van de WWB. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding.