ECLI:NL:CRVB:2013:1206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving van maart 2006 tot mei 2010 bijstand op grond van de WWB en had aanspraak op een levenslang pensioen van ongeveer €55 per maand. Zij had het college gemachtigd het pensioen rechtstreeks te ontvangen, maar trok deze machtiging in per 1 februari 2007, waarna zij het pensioen zelf ontving zonder dit te melden. Tevens verrichtte zij in november 2009 werkzaamheden als kapster zonder dit aan het college te melden.
Het college herzag de bijstand en besloot tot terugvordering van de teveel ontvangen bijstand over de periode 1 februari 2007 tot 31 augustus 2009 en november 2009. Appellante maakte bezwaar en stelde onder meer dat het vertrouwensbeginsel en bijzondere omstandigheden toepassing behoefden, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Er was geen sprake van een ondubbelzinnige toezegging die het vertrouwensbeginsel rechtvaardigde. De door appellante aangevoerde bijzondere omstandigheden rechtvaardigden geen afwijking van het terugvorderingsbeleid, temeer daar zij haar inlichtingenverplichting duidelijk had geschonden.
De Raad concludeert dat het college terecht heeft teruggevorderd en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.