Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1272

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2013
Publicatiedatum
2 augustus 2013
Zaaknummer
11-6115 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 AKWArt. 8 EVRMArt. 14 EVRMArt. 16 Europees Sociaal HandvestArt. 17 Europees Sociaal Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering kinderbijslag wegens niet-ingezetenschap ondanks verblijf en opvang in Nederland

Appellante, die sinds 2008 vanuit Nigeria in Nederland verblijft en slachtoffer is van mensenhandel, kreeg kinderbijslag geweigerd omdat zij niet over zelfstandige woonruimte beschikte, een tijdelijke verblijfsvergunning had en niet werkzaam was in Nederland.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante niet als ingezetene kon worden aangemerkt, mede vanwege haar verblijf in een opvanghuis, het ontbreken van familie, het niet volgen van een cursus Nederlands en het ontvangen van een uitkering.

In hoger beroep stelde appellante dat zij voldeed aan het criterium van een duurzame persoonlijke band met Nederland, verwijzend naar haar verblijf, de geboorte van haar zoon in Nederland en haar sociale contacten.

De Raad volgt de rechtspraak van de Hoge Raad en vernietigt het eerdere besluit, maar oordeelt dat appellante op de peildata niet als ingezetene kan worden aangemerkt vanwege haar tijdelijke verblijfstitel, woonsituatie en gebrek aan integratie.

De Raad concludeert dat het onderscheid naar ingezetenschap geen verboden discriminatie oplevert en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. De Sociale Verzekeringsbank wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Appellante wordt niet als ingezetene van Nederland aangemerkt en de weigering van kinderbijslag blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/6115 AKW
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
16 september 2011, 10/825 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is gereageerd.
Namens appellante is een geschrift met nadere gronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Voor appellante is mr. Klaas verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1.Bij besluit van 5 november 2009 heeft de Svb geweigerd aan appellante ingaande het derde kwartaal van 2009 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van haar zoon [naam zoon], geboren [in] 2009. Overwogen is dat appellante niet in Nederland woont, omdat zij niet beschikt over zelfstandige woonruimte en zij een tijdelijke verblijfsvergunning heeft. Tevens is appellante niet werkzaam in Nederland.
1.2. Het bezwaar van appellante tegen de weigering van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2009 is bij besluit van 22 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
22 februari 2010 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellante in de loop van 2008 vanuit Nigeria naar Nederland is gekomen en sindsdien in Nederland verblijft. Zij is slachtoffer van mensenhandel en heeft op 31 maart 2009 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet. Deze vergunning is haar met ingang van 31 maart 2009 verleend onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire 2000, hoofdstuk B9, en is geldig tot
31 maart 2010. Appellante woonde met haar zoon op de peildatum in een opvanghuis voor vrouwen. Zij beschikte niet over zelfstandige woonruimte. Appellante heeft geen familie in Nederland, zij volgde op de peildatum geen cursus Nederlands en heeft in Nederland geen arbeid in dienstbetrekking verricht. Zij ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Haar zoon ging niet naar school. Gelet op deze feiten heeft de Svb naar het oordeel van de rechtbank zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op de peildatum niet als ingezetene van Nederland, en daarom ook niet als verzekerde in de zin van de AKW, kon worden aangemerkt. Vervolgens heeft de rechtbank gemotiveerd het beroep verworpen dat appellante heeft gedaan op een groot aantal internationale normen ter staving van haar stelling dat de weigering van kinderbijslag in haar geval in strijd met het recht is. Daarbij gaat het met name om de artikelen 8 en 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 16 en Pro 17 van het Europees Sociaal Handvest en artikel 27 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
3.
Namens appellante is in hoger beroep onder meer gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, LJN BP1466. Volgens haar voldoet zij aan het door de Raad geformuleerde criterium dat er sprake dient te zijn van een duurzame band van persoonlijke aard tussen betrokkene en Nederland. Appellante was in de periode in geding bijna twee jaar in Nederland. Haar zoon is in Nederland geboren. Zij zat in de opvang omdat ze, in Nederland, in de (gedwongen) prostitutie had gewerkt. De opvang begeleidde haar actief (wekelijks). Zij bezocht destijds het consultatiebureau. Zij kreeg financiële ondersteuning van de gemeente en bezocht wekelijks de protestantse kerk. Appellante heeft Nederlandse vrienden. Ter zitting heeft de gemachtigde het beroep op bepalingen van internationaal recht beperkt tot het beroep op artikel 14 juncto Pro 8 van het EVRM. Kinderbijslag is een onderdeel van het sociale minimum en appellante dient dat, op grond van het discriminatieverbod, ook te krijgen. Door de Svb is in verweer aangevoerd dat, nu de zwakke verblijfsstatus aan appellante niet in absolute zin wordt tegengeworpen, geen sprake is van discriminatie in de zin van artikel 14 van Pro het EVRM. Opgemerkt wordt dat de Raad eerder heeft geoordeeld dat door de verzekering (mede) afhankelijk te stellen van de vraag of betrokkene ingezetene van Nederland is, geen onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt in de zin van artikel 14 van Pro het EVRM.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bepalend voor het antwoord op de vraag of appellante ingezetene is in de zin van de AKW is de rechtspraak van de Hoge Raad. De door de Svb in de onderhavige zaak toegepaste rechtspraak van de Raad is met de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad van
21 januari 2011 achterhaald. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak, en het bestreden besluit, vernietigd dienen te worden. De Raad zal nagaan of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
4.2.
Daarvan uitgaande is in dit geding aan de orde of de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat appellante vanaf het derde kwartaal van 2009 niet als ingezetene kan worden aangemerkt.
4.3.
Vooropgesteld moet worden dat de te beoordelen peildata, gezien de datum van het besluit op bezwaar, 1 juli 2009 en 1 oktober 2009 zijn. Alle omstandigheden afwegend is de Raad van oordeel dat appellante op de peildata hier in geding niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. De Raad wijst daarbij met name op de reden voor de komst van appellante naar Nederland en de, in dat kader, aan haar verleende tijdelijke verblijfstitel. In dat licht moet ook de woonsituatie van appellante worden bezien (opvang). Daaraan kan worden toegevoegd dat appellante op de peildata nog relatief kort in Nederland verbleef en dat zij nog geen begin had gemaakt met de inburgering in Nederland. Verder verrichtte appellante geen (betaalde) arbeid. Ze was in het genot van een uitkering van de gemeente [naam gemeente]. Appellante had geen familie in Nederland. Alles afwegende, derhalve ook de namens appellante in hoger beroep aangevoerde omstandigheden, moet geconcludeerd worden dat, louter beoordeeld naar nationaal recht, appellante niet als ingezetene in de zin van artikel 2 van Pro de AKW kan worden aangemerkt.
4.4.
Vervolgens ligt ter beoordeling voor of het tegenwerpen aan appellante van het aldus gedefinieerde begrip ingezetene leidt tot strijd met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 juncto Pro artikel 8 van Pro het EVRM. In het kader van deze beoordeling verdient primair opmerking dat het onderscheid naar ingezetenschap niet kan worden aangemerkt als een (direct) onderscheid naar nationaliteit. Dat brengt mee dat het hier niet gaat om een door het Hof in zijn rechtspraak als ‘verdacht’ aangemerkt onderscheid. Een zodanig onderscheid hoeft niet te worden gerechtvaardigd door “zeer gewichtige redenen”. Van belang voor de beoordeling is verder dat het voorwerp van geschil in het onderhavige geval de sociale zekerheid betreft. Dit voert tot de conclusie dat de Verdragsstaat Nederland ten aanzien van de kwalificatie “ingezetene” van personen die hier te lande verblijven, een ruime “margin of appreciation” bezit. Niet gezegd kan worden dat met het in artikel 2 (juncto artikel 3) van de AKW neergelegde criterium, en de daarop gebaseerde rechtspraak, deze “margin” is overschreden.
4.5
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het besluit van
22 februari 2010 in stand kunnen blijven.
5.
De Raad acht termen aanwezig om de Svb op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, tot een bedrag van € 2.360,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 februari 2010;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de Svb in de kosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, tot een bedrag van € 2.360,-
  • bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en E.E.V. Lenos en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2013.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) D. Heeremans
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.
JvC