Appellante, die sinds 2008 vanuit Nigeria in Nederland verblijft en slachtoffer is van mensenhandel, kreeg kinderbijslag geweigerd omdat zij niet over zelfstandige woonruimte beschikte, een tijdelijke verblijfsvergunning had en niet werkzaam was in Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante niet als ingezetene kon worden aangemerkt, mede vanwege haar verblijf in een opvanghuis, het ontbreken van familie, het niet volgen van een cursus Nederlands en het ontvangen van een uitkering.
In hoger beroep stelde appellante dat zij voldeed aan het criterium van een duurzame persoonlijke band met Nederland, verwijzend naar haar verblijf, de geboorte van haar zoon in Nederland en haar sociale contacten.
De Raad volgt de rechtspraak van de Hoge Raad en vernietigt het eerdere besluit, maar oordeelt dat appellante op de peildata niet als ingezetene kan worden aangemerkt vanwege haar tijdelijke verblijfstitel, woonsituatie en gebrek aan integratie.
De Raad concludeert dat het onderscheid naar ingezetenschap geen verboden discriminatie oplevert en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. De Sociale Verzekeringsbank wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.