Uitspraak
5 december 2011, 11/4135 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering in te trekken. Het UWV wees het verzoek om terug te komen op dit besluit af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die daartoe aanleiding gaven.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het feit dat appellant nog steeds ziek is, geen nieuw feit is dat het intrekkingsbesluit kan herroepen. Het UWV had de uitkering ingetrokken omdat appellant niet langer als werknemer en verzekerde kon worden aangemerkt.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank. Er was geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door M.C. Bruning, in aanwezigheid van griffier K.E. Haan, op 31 juli 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de intrekking van de WAO-uitkering blijft in stand.