ECLI:NL:CRVB:2013:1352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling aflossingscapaciteit door UWV in hoger beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het door het UWV vastgestelde maandelijkse aflossingsbedrag van een teruggevorderd bedrag van ruim €3.000. Het UWV had het bedrag berekend op basis van het gezamenlijke netto-inkomen van appellant en zijn partner, rekening houdend met een beslagvrije voet van 90% van de bijstandsnorm, de woonlasten, ziektekostenverzekering en aflossingen aan een preferente schuldeiser.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn financiële verplichtingen en het ontbreken van vaste inkomsten van hem en zijn partner. Hij stelde dat het UWV akkoord had moeten gaan met zijn voorstel om het bedrag in lagere termijnen af te lossen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de aflossingscapaciteit op juiste wijze had vastgesteld aan de hand van door appellant verstrekte gegevens en conform de geldende regelgeving. De Raad benadrukte dat de beslagvrije voet ervoor zorgt dat appellant een minimuminkomen behoudt voor levensonderhoud en dat het UWV bovendien coulance heeft betracht door het aflossingsbedrag te verlagen en de schuld over een langere periode te spreiden.
Ter zitting bleek dat het aflossingsbedrag na een telefonisch verzoek van appellant zelfs verder was verlaagd naar €200 per maand, wat de Raad niet onredelijk achtte. Gezien deze omstandigheden wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.