Appellant was sinds 16 juni 2007 feitelijk belast met de werkzaamheden van de hogere functie Teamchef B, terwijl hij formeel benoemd was in de lagere functie Teamchef A. In plaats van een definitieve benoeming ontving hij een waarnemingstoelage vanwege een voorgenomen reorganisatie die nooit werd afgerond.
De korpschef weigerde appellant definitief te benoemen en handhaafde de waarnemingstoelage. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat toekenning van een waarnemingstoelage een aanvaardbare keuze was in afwachting van de reorganisatie.
De Raad oordeelt echter dat het besluit niet op een redelijke belangenafweging berust, omdat de langdurige situatie en het uitblijven van de reorganisatie niet ten koste mogen gaan van appellant. De Raad stelt dat appellant per 1 juni 2010 benoemd had moeten worden in de functie Teamchef B met de bijbehorende bezoldiging.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en beveelt een nieuw besluit met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad de korpschef in de proceskosten van appellant.