Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was sinds 2002 werkzaam bij de politie en werd in 2009 buiten functie gesteld vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar het lekken van vertrouwelijke informatie. Na een langdurige procedure werd betrokkene primair ontslagen wegens plichtsverzuim wegens weigering mee te werken aan een haartest, en subsidiair wegens ongeschiktheid. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat gedwongen meewerken aan een haartest een inbreuk op de lichamelijke integriteit vormt zonder wettelijke basis.
De korpschef stelde hoger beroep in, maar bood betrokkene vervolgens een regeling aan waarbij het dienstverband met wederzijds goedvinden werd beëindigd. Hierdoor was het oorspronkelijke geschil komen te vervallen. De Raad overwoog dat het belang van de korpschef om het hoger beroep voort te zetten voor mogelijke toekomstige gevallen onvoldoende was om het beroep ontvankelijk te verklaren.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie over procesbelang bij toekomstige aanvragen, maar oordeelde dat die situaties wezenlijk verschilden van deze zaak. Omdat het bestuursorgaan zelf tot een vergelijk was gekomen, ontbrak het actuele procesbelang. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de korpschef werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd.