Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, meldde zich in 2001 ziek met psychische klachten en obstructief slaapapneu syndroom (OSAS). Het UWV kende hem vanaf 2002 een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 55-65%, inclusief een urenbeperking van twintig uur per week vanwege OSAS. Een herbeoordeling in 2009 handhaafde de mate van arbeidsongeschiktheid, maar een bezwaarverzekeringsarts concludeerde op basis van medisch onderzoek dat de urenbeperking niet langer noodzakelijk was. Het UWV trok de WAO-uitkering per 20 oktober 2009 in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende onderbouwd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn klachten en dat het laten vervallen van de urenbeperking onvoldoende gemotiveerd was. De Raad volgde deze stellingen niet, bevestigde het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en oordeelde dat geen sprake was van een onrechtmatige verslechtering van appellant's positie.
Appellant verzocht tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad constateerde dat de behandeling in de rechterlijke fase langer dan de toegestane termijn had geduurd en besloot het onderzoek te heropenen om een nadere uitspraak over de schadevergoeding voor te bereiden. De Staat der Nederlanden werd als partij in die procedure aangemerkt.