ECLI:NL:CRVB:2013:1451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving sinds april 2009 bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres waar hij een kamer bewoonde. Na signalen dat post retour kwam en appellant niet op dat adres woonde, startte het college een onderzoek. Appellant verscheen niet op een oproep, waarna de bijstand werd opgeschort en later ingetrokken wegens het ontbreken van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres.
De rechtbank oordeelde dat appellant sinds 12 juli 2011 niet meer op het uitkeringsadres woonde, gebaseerd op zijn eigen verklaringen tijdens gesprekken bij de Dienst Werk en Inkomen. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank zijn verklaringen selectief had gebruikt en dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf op het adres had.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond dat de verklaringen van appellant, waaronder het feit dat hij slechts enkele nachten per maand op het adres verbleef en meestal bij vrienden sliep, doorslaggevend waren. Het feit dat appellant zijn kamer gebruikte voor opslag van papieren en kleding en er kookte, was onvoldoende om het hoofdverblijf aan te nemen. Het weigeren van toegang tot een huisbezoek versterkte het oordeel.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het ontbreken van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres wordt bevestigd.