ECLI:NL:CRVB:2013:1458

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2013
Publicatiedatum
20 augustus 2013
Zaaknummer
11-7225 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontheffing arbeidsinschakelingsverplichting WWB bij verslavingsproblematiek

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd verplicht deel te nemen aan arbeidsinschakelingstrajecten. Hij vroeg ontheffing van deze verplichting vanwege zijn verslavingsproblematiek en andere aandoeningen. Het college verleende ontheffing van de actieve arbeidsverplichtingen maar niet van de verplichting tot deelname aan een algemeen traject of zorgtraject.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de beschikbare gegevens geen aanwijzingen geven dat appellant om medische of andere redenen niet kan deelnemen aan een algemeen traject zoals vrijwilligerswerk of een zorgtraject. Zulke trajecten zijn gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt en worden daarom als voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling beschouwd.

Hoewel deelname aan deze trajecten mogelijk niet direct tot arbeidsinschakeling leidt, is het uiteindelijke doel wel arbeidsinschakeling. Daarom was het college terecht in het weigeren van ontheffing van deze verplichting. Het hoger beroep slaagde niet en de uitspraak van de rechtbank bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen ontheffing krijgt van de verplichting tot deelname aan een traject gericht op arbeidsinschakeling.

Uitspraak

11/7225 WWB
Datum uitspraak: 20 augustus 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 november 2011, 11/3822 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 22 september 2010 heeft het college appellant met ingang van 20 augustus 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verleend naar de norm voor een alleenstaande. Bij dit besluit heeft het college medegedeeld dat appellant moet voldoen aan, kort gezegd, de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB.
1.2.
Op 23 september 2010 is appellant aangemeld voor een zogeheten participatietraject voor twintig uur per week. In een rapportage van 26 januari 2011 is vermeld dat tijdens een gesprek op 29 november 2010 is gebleken dat een participatietraject voor appellant niet geschikt is in verband met zijn verslavingsproblematiek. Voorts is in deze rapportage vermeld: “Op dit moment is cl. geen reëel aanbod voor de arbeidsmarkt, zelfs participatie is niet mogelijk gezien het huidige beleid tav trajecten.”
1.3.
Bij besluit van 28 januari 2011 heeft het college appellant ontheffing verleend van, kort gezegd, de - actieve - arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Daarbij heeft het college medegedeeld dat appellant zich dient te houden aan, kort gezegd, de arbeidsverplichtingen van onderdeel b van dat artikellid.
1.4.
In het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft appellant aangevoerd dat, gezien het scala van aandoeningen waaraan hij lijdt, het college hem ten onrechte geen ontheffing heeft verleend van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling (verplichting in geding).
1.5.
Bij besluit van 12 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 januari 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De mogelijkheid bestaat appellant deel te laten nemen aan een algemeen traject - vrijwilligerswerk - en/of aan een zorgtraject, bedoeld voor mensen met een medische of psychische belemmering, waarbij juist rekening wordt gehouden met de aanwezige belemmeringen. Het doel van dergelijke trajecten is om, ondanks de belemmeringen, de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen en deelname aan de maatschappij te vergroten. Daarom is er geen reden appellant ook te ontheffen van de verplichting in geding.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het is onjuist althans onbegrijpelijk dat hem geen ontheffing is verleend van de verplichting in geding. Hij wordt immers ongeschikt geacht voor deelname aan een participatietraject. Een algemeen traject of zorgtraject is niet aan te merken als voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid.
4.2.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het college appellant ontheffing had moeten verlenen van de verplichting in geding.
4.3.
De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten dat appellant om medische of andere redenen niet in staat is deel te nemen aan een algemeen traject in de vorm van vrijwilligerswerk en/of aan een zorgtraject. Nu met een dergelijk traject wordt beoogd de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen, is de Raad met de rechtbank en anders dan appellant van oordeel dat zo’n traject is aan te merken als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De omstandigheid dat deelname aan een algemeen traject en/of zorgtraject wellicht niet direct leidt tot arbeidsinschakeling, maar pas op termijn, doet er niet aan af dat een dergelijk traject
- uiteindelijk - wel is gericht op arbeidsinschakeling.
4.4.
Gelet op 4.3 heeft het college appellant terecht geweigerd ontheffing te verlenen van de verplichting in geding.
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2013.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) M. Sahin

HD