ECLI:NL:CRVB:2013:1462

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2013
Publicatiedatum
20 augustus 2013
Zaaknummer
11-5527 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35, eerste lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor autokosten wegens vooraf gemaakte reparatiekosten

Appellant verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van een grote onderhoudsbeurt en APK van zijn auto. Het college wees dit af omdat de kosten al op 1 september 2010 waren gemaakt, vóór de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij de aanvraag al op 1 september 2010 had ingediend en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden vanwege zijn psychische klachten.

De Raad oordeelde dat het aanvraagformulier pas op 1 oktober 2010 bij de gemeente was ontvangen en dat er geen bewijs was dat de aanvraag eerder was gedaan. De overgelegde proforma nota toonde niet aan dat de kosten daadwerkelijk op of na de aanvraagdatum waren gemaakt, noch dat deze betrekking hadden op zijn auto. Bovendien stond de auto vanaf 11 september 2010 niet meer op zijn naam.

De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de kosten na de aanvraag waren gemaakt en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de kosten als noodzakelijke kosten van het bestaan rechtvaardigen. Daarom was het college terecht niet bevoegd bijzondere bijstand te verlenen en werd het hoger beroep afgewezen.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor autokosten is terecht afgewezen omdat de kosten vóór de aanvraag zijn gemaakt en geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/5527 WWB
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 augustus 2011, 11/2124 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.R.H. Swane, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.E. Dirks, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.D. van der Gulik.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 1 november 2010, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 28 februari 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstrand (WWB) voor de kosten van een grote onderhoudsbeurt van een auto en voor een APK afgewezen.
1.2.
Aan de besluitvorming ligt primair ten grondslag dat de kosten van de reparatie van de auto op 1 september 2010 al zijn gemaakt, nog voordat de aanvraag om bijzondere bijstand werd ingediend, en subsidiair dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij het aanvraagformulier, voorzien van bewijsstukken, op 1 september 2010 heeft ingeleverd bij de gemeente, dat hem op 23 september 2010 van de kant van de gemeente werd meegedeeld dat het dossier zoek was en dat hij de aanvraag op die dag opnieuw heeft ingediend. In dit verband heeft appellant gewezen op door de gemeente geplaatste stempels voor ontvangen en verzonden stukken. Verder heeft hij naar voren gebracht dat geen factuur voor een reparatie van zijn auto op 1 september 2010 is overgelegd, maar een proforma nota van die datum. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat wel degelijk sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hem bijzondere bijstand wordt verleend omdat hij als gevolg van zijn psychische klachten beperkt is in zijn functioneren en daarom is aangewezen op een auto.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft zijn aanvraagformulier gedateerd op 28 september 2010. Dat formulier is, uitgaande van het daarop geplaatste stempel, bij de gemeente Purmerend ontvangen op
1 oktober 2010. De gedingstukken, waaronder een door appellant overgelegd blad waarop naast een kopie van zijn identiteitskaart stempels met als datum 28 september 2010 en
1 oktober 2010 zijn geplaatst, bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant al eerder dan op 28 september 2010 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de hier aan de orde zijnde kosten heeft gedaan.
4.2.
Op het aanvraagformulier is als reden voor de aanvraag vermeld: Reparatie auto,
1-9-2010. Bij de aanvraag is een nota, vermelde “Proforma: 18” en “Factuurdatum
01-09-2010” gevoegd. Dat het slechts om een proforma nota zou gaan staat daarmee niet vast. Uit die nota blijkt voorts niet dat het om een auto van appellant gaat. Bovendien is niet komen vast te staan wanneer, als dat niet is geschied op 1 september 2010, de hier van belang zijnde kosten wel zijn gemaakt. Volgens appellant is een deel van de kosten op 29 september 2010
- toen zou de auto ook zijn gekeurd - en een deel van de kosten eind december 2010 gemaakt. Een factuur van een reparatie van de auto op 29 september 2010 is evenwel niet voorhanden. Dat de vervaldatum APK op 29 september 2011 is gesteld, zoals blijkt uit een door appellant overgelegde brief van de RDW, betekent nog niet dat de auto op 29 september 2010 is gekeurd. Het overgelegde bankafschrift van 31 december 2010, waaruit een betaling voor een autobandenset zou moeten worden afgeleid, kan niet worden gerelateerd aan de auto van appellant. Daarbij komt dat de auto van appellant vanaf 11 september 2010 niet meer op zijn naam stond. Zelfs als appellant zou worden gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van aan zijn auto verricht onderhoud voordat de aanvraag om bijzondere bijstand werd ingediend, dan moet, gelet op het voorafgaande, worden vastgesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na het indienen van zijn aanvraag om bijzondere bijstand de kosten van reparatie aan zijn auto heeft gemaakt zoals bedoeld in zijn aanvraag. Appellant heeft overigens ook niet aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat de kosten van het verrichten van onderhoud aan zijn auto, met het oog op een APK, in zijn situatie moeten worden beschouwd als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De conclusie is dat het college onder de gegeven omstandigheden niet bevoegd was tot verlening van bijzondere bijstand. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2013.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) M.R. Schuurman

EH