ECLI:NL:CRVB:2013:1529
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- E.J. Govaers
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering WIA-uitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant, werkzaam als medewerker spoelkeuken, viel uit met nek-, rug- en armklachten en werd hersteld verklaard in maart 2008. Na een korte periode van werk en ziekte meldde hij zich in augustus 2008 ziek met toegenomen klachten. Het UWV wees zijn aanvraag voor een WIA-uitkering af omdat appellant bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest of dat uitval binnen zes maanden te verwachten was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit ongegrond, stellende dat de beperkingen bij aanvang van de verzekering vaststonden. In hoger beroep betoogde appellant dat er geen zodanig verschil was in zijn medische toestand tussen maart en augustus 2008 om tot een andere beoordeling te komen.
De Raad stelt dat het enkele feit dat klachten bij aanvang van de verzekering bestonden niet voldoende is voor volledige arbeidsongeschiktheid. De primaire en subsidiaire afwijzingsgronden van het UWV zijn onvoldoende onderbouwd, met name omdat geen duidelijke motivering is gegeven voor het verschil in beoordeling tussen maart en augustus 2008 en de subsidiaire grond niet is toegelicht met objectieve gegevens.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het besluit te herzien met een deugdelijke motivering over de aard, ernst en omvang van de arbeidsongeschiktheid en de vraag waarom de arbeidsgeschiktheid verloren is gegaan. Deze tussenuitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 juli 2013.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit binnen zes weken te herzien en het motiveringsgebrek te herstellen.