ECLI:NL:CRVB:2013:1557

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2013
Publicatiedatum
27 augustus 2013
Zaaknummer
11-2821 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en viel onder de bescheiden schaalregeling die zelfstandige activiteiten tot 23,5 uur per week toestaat met behoud van bijstand. Tijdens een gesprek in augustus 2010 verklaarde appellant echter dat hij sinds maart/april 2009 aanzienlijk meer uren werkte en een zakelijke bankrekening had geopend zonder dit te melden.

Het college trok daarom de bijstand met ingang van 1 maart 2009 in wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat zijn verklaring onjuist was, maar de Raad oordeelde dat hij aan zijn ondertekende verklaring gehouden kan worden, conform vaste rechtspraak.

De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van het algemene uitgangspunt af te wijken. Daarom werd de intrekking van de bijstand bevestigd en het hoger beroep verworpen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.

Uitspraak

11/2821 WWB
Datum uitspraak: 27 augustus 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 april 2011, 11/470 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Pothast, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2013. Appellant is niet verschenen.
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 16 maart 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 september 2008 heeft het college de zogeheten bescheiden schaalregeling op appellant van toepassing verklaard. Ingevolge die regeling kan een betrokkene met behoud van bijstand maximaal 23,5 uren per week activiteiten als zelfstandige ontplooien. Verder stelt deze regeling minder vergaande eisen aan het voeren van een deugdelijke administratie en voorziet zij in een bepaalde wijze van verrekening van de uit de activiteiten als zelfstandige genoten inkomsten.
1.2.
In het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de bijstandverlening heeft appellant op 19 augustus 2010 een gesprek met een medewerker handhaving gevoerd. Tijdens dat gesprek heeft appellant verklaard dat hij sinds maart/april 2009 actief is met zijn bedrijf [bedrijfsnaam]. De omzet in maart 2009 tot en met juli 2009 was ongeveer € 4.000, - per maand. De laatste twee maanden was de omzet € 8.000, - per maand. Van maart 2009 tot en met april 2010 heeft appellant vier uur per dag, zes dagen per week gewerkt. Sinds vier maanden werkt hij zes uur per dag, zes dagen per week. Daar komt nog de inkoop (twee tot drie uur per week) bij. Appellant heeft ook verklaard twee jaar geleden een zakelijke bankrekening te hebben geopend. Dat heeft hij niet gemeld bij de Dienst Werk en Inkomen. De door appellant op 19 augustus 2010 ondertekende verklaring is opgenomen in het op ambtsbelofte door de handhavingsspecialist opgemaakte en ondertekende rapport van bevindingen van 20 augustus 2010.
1.3.
Het college heeft bij besluit van 8 september 2010 de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2009 ingetrokken
1.4.
Bij besluit van 4 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2010 ongegrond verklaard op de grond dat appellant in strijd met op hem rustende inlichtingenverplichting aan het college geen opgave heeft gedaan van zijn zakelijke bankrekening, zijn (toegenomen) werkzaamheden in zijn bedrijf en zijn verdiensten daaruit. Evenmin heeft appellant aangifte Inkomstenbelasting 2009 gedaan. Uit de verklaring van appellant komt naar voren dat hij (veel) meer heeft gewerkt dan de toegestane 23,5 uur per week. Bij die omvang van de werkzaamheden is vanaf maart 2009 niet langer sprake van kleinschaligheid als bedoeld in de bescheiden schaalregeling. Gelet op deze schending van de inlichtingenverplichting is het college bevoegd met toepassing van artikel 54, aanhef,
derde lid, onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2009 in te trekken.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant als enige grond naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van zijn verklaring van 19 augustus 2010. Die verklaring was immers op verschillende punten onjuist.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan hij aan zijn verklaring worden gehouden. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag, ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen worden uitgegaan van de juiste weergave van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellant heeft zijn verklaring van 19 augustus 2010 per bladzijde ondertekend en uitdrukkelijk bevestigd dat de inhoud van de geschreven verklaring overeenkomt met hetgeen hij mondeling heeft verklaard. Appellant heeft niet aan de hand van verifieerbare gegevens onderbouwd dat het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen een onjuiste weergave behelst van zijn verklaring. De beroepsgrond faalt.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2013.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) T.A. Meijering

HD