ECLI:NL:CRVB:2013:1601
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- B.J. van de Griend
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Vaststelling pensioengrondslag bij buitengewoon pensioen op grond van de Wbp
De zaak betreft een beroep van de erven van betrokkene tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank over de vaststelling van de pensioengrondslag voor een buitengewoon pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).
Betrokkene was vanwege verzetsgerelateerde psychische klachten volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontving een pensioen waarvan de grondslag was vastgesteld op basis van zijn feitelijke inkomsten en dienstverband in 2003. De erven stelden dat de grondslag gebaseerd moest worden op een volledig dienstverband, hetgeen door verweerder werd bestreden.
De Raad oordeelde dat het peiljaar 2003 correct was gekozen en dat de gehanteerde grondslag, gebaseerd op het inkomen van soortgelijke valide personen in overeenkomstige omstandigheden, acceptabel is. De omstandigheid dat betrokkene wellicht een volledig dienstverband had kunnen vervullen indien hij niet arbeidsongeschikt was geraakt, doet hieraan niet af.
Daarnaast stelde de Raad vast dat de totale procedure bijna vijf jaar heeft geduurd, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent. Verweerder werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 2.500,- aan appellanten. Het beroep werd gegrond verklaard met vernietiging van het bestreden besluit, maar de rechtsgevolgen van dat besluit bleven in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand en verweerder moet een schadevergoeding betalen.