ECLI:NL:CRVB:2013:1640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit hulp bij het huishouden op grond van de Wmo ondanks bezwaren appellante
Appellante heeft op 13 oktober 2009 een persoonsgebonden budget aangevraagd voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bracht een advies uit waarin werd vastgesteld dat appellante beperkingen heeft bij zwaar huishoudelijk werk, terwijl haar echtgenoot ondanks rugklachten in staat wordt geacht licht huishoudelijk werk te verrichten.
Het college kende appellante bij besluit van 8 maart 2010 drie uur per week hulp toe voor zwaar huishoudelijk werk, met de motivering dat haar echtgenoot de lichtere huishoudelijke taken kan uitvoeren. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het college en vervolgens door de rechtbank Almelo.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het advies van het CIZ onvoldoende zorgvuldig tot stand was gekomen en dat haar echtgenoot overbelast zou raken. De Raad oordeelde dat het advies zorgvuldig was, mede omdat de medisch adviseur kennis had genomen van relevante medische informatie en dat er geen aanwijzingen waren dat een aanvullend medisch onderzoek noodzakelijk was.
Verder concludeerde de Raad dat de echtgenoot van appellante in staat is licht huishoudelijk werk te verrichten, dat er geen reden is om het CIZ-advies te verwerpen en dat de stelling dat hij overbelast zou raken onvoldoende onderbouwd was. Ook de financiële bezwaren van appellante tegen het gebruik van een boodschappendienst werden niet gegrond bevonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het college en verklaart het hoger beroep ongegrond.