ECLI:NL:CRVB:2013:1642

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2013
Publicatiedatum
4 september 2013
Zaaknummer
11-7211 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:4 Wet Wajong
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-duurzame arbeidsongeschiktheid volgens Wet Wajong

Appellant diende een aanvraag in op grond van de Wet Wajong, waarbij het UWV besloot hem niet als duurzaam arbeidsongeschikt aan te merken, maar wel arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning toe te kennen. Dit besluit was gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten waarin werd vastgesteld dat appellant forse beperkingen heeft, maar dat zijn situatie niet medisch stabiel of verslechterend is en dat er nog mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bestaan.

Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen het besluit, stellende dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat het UWV zijn belangen niet goed heeft afgewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd bevestigd dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en het besluit voldoende was gemotiveerd.

In hoger beroep betoogde appellant dat de arbeidsongeschiktheid wel duurzaam zou zijn en dat nader onderzoek nodig is. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is, omdat zijn medische toestand nog kan verbeteren en hij participatiemogelijkheden heeft. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 september 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt bevestigd.

Uitspraak

11/7211 WAJONG
Datum uitspraak: 4 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 november 2011, 11/1653 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Namens appellant is
mr. M.J.G. Schroeder, waarnemend voor mr. Maduro, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 26 april 2010 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Bij besluit van 22 december 2011 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning ten bedrage van € 1.062,05 bruto per maand. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig rapport van 23 september 2010 en een arbeidskundig rapport van 21 oktober 2010.
1.2. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van verminderde energie, verminderd initiatief, beperkte concentratie en vergeetachtigheid. Hij is prikkelbaar, kan niet goed doorzetten en is agressief. Appellant is aangewezen op gestructureerde activiteiten, zonder enige tijdsdruk, in een kleine setting waarin hij een eigen deeltaak heeft. Hij kan geen rugbelastend werk aan, of werk waarin hij veel moet traplopen, lopen en staan. Er dienen weinig klant- of patiëntcontacten en geen conflicthantering te zijn. Verder moet hij niet worden blootgesteld aan dampen, scherpe geuren of stof. Appellant heeft amper participatiemogelijkheden, maar behandeling en zekerheid over zijn huisvesting zouden veel kunnen uitmaken. Voor appellant geldt een urenbeperking van 4 uur per dag/20 uur per week. Appellant heeft duurzaam benutbare mogelijkheden die zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag is zijn zeventiende verjaardag.
1.3. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant ten tijde in geding niet geschikt is te achten voor algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Van een werkgever kan niet in redelijkheid worden verwacht dat hij iemand met een handicap zoals appellant die heeft, in dienst neemt. Er is echter wel sprake van participatiemogelijkheden. Appellant kan begeleid worden bij het opnieuw oppakken van de voorheen door hem gevolgde opleiding Sport- & bewegingsleer, waarvoor hij het certificaat tot pupillentrainer van de KNVB heeft behaald. Voorts heeft hij deelgenomen aan een Feyenoord Clinic. Voor appellant is een participatieplan opgesteld, waarmee hij heeft ingestemd.
1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 december 2010. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft op 23 maart 2011 een onderzoek plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts die de bevindingen van de primaire verzekeringsarts geheel heeft onderschreven. Daarop heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 5 april 2011 (bestreden besluit).
2.1. In beroep heeft appellant betwist dat hij nog functionele mogelijkheden zou hebben. Appellant is gelet op zijn medische gesteldheid niet in staat om werkzaamheden te verrichten. Hij vindt in de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten zijn standpunt bevestigd dat hij vrijwel geen participatiemogelijkheden heeft. Volgens appellant heeft het Uwv zijn belangen niet goed afgewogen en is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen.
2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze plaatsgevonden en is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd. Uit de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts blijkt dat appellant forse beperkingen heeft die voor een groot deel samenhangen met zijn psychische klachten en veelvuldige drugsgebruik. Het Uwv heeft echter terecht vastgesteld dat er nog verbetering mogelijk is in appellants situatie en dat er geen sprake is van een blijvend ontbreken van mogelijkheden voor arbeidsparticipatie, zodat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet duurzaam is.
3.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet duurzaam is. Uit de rapporten blijkt dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Of dit al dan niet duurzaam is, zal uit nader onderzoek moeten blijken. Het bestreden besluit roept verwarring op, omdat wordt vermeld dat appellant zou kunnen werken, terwijl hij daar volgens de arbeidsdeskundige niet toe in staat is.
4.
De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of het Uwv appellant terecht niet als duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in de Wet Wajong heeft aangemerkt.
4.2.
Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Wet Wajong is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid niet meer te verdienen dan 20% van het maatmaninkomen. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Ingevolge het derde lid wordt onder medisch stabiele of verslechterende situatie mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.3.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv appellant terecht en op goede gronden niet als duurzaam arbeidsongeschikt heeft aangemerkt. Uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts en de (bezwaar)arbeidsdeskundige volgt dat er bij appellant sprake is van forse beperkingen, die ertoe leiden dat hij ten tijde in geding niet geschikt was te achten voor algemeen geaccepteerde arbeid. Uit de genoemde rapporten volgt echter evenzeer dat de medische toestand van appellant door behandeling nog kan verbeteren en dat appellant eerder een aantal opleidingen heeft gevolgd en voltooid. Aldus heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde in geding niet verkeerde in een medisch stabiele of verslechterende situatie en dat evenmin sprake was van een blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd.
4.4.
Gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5.
Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. Van Voorst als voorzitter en R.E. Bakker en
M.S.E. Wulffraat-Van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) I.J. Penning

HD