ECLI:NL:CRVB:2013:1652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- R.E. Bakker
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering na maximale termijn en nieuw ziektegeval
Appellant, een zelfstandig installateur en vrijwillig verzekerd onder de Ziektewet, ontving ziekengeld van 20 april 2009 tot 17 april 2011. Het UWV beëindigde de uitkering na het bereiken van de maximale termijn van 104 weken. Na een ziekenhuisopname en operatie in mei 2011 meldde appellant zich opnieuw ziek. Het UWV weigerde een nieuwe ZW-uitkering toe te kennen omdat de maximale uitkeringsperiode was bereikt.
Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, stellende dat hij vóór 17 april 2011 volledig hersteld was en dat de beëindiging van de uitkering niet aan ziekte maar aan economische omstandigheden lag. De verzekeringsarts van het UWV stelde echter vast dat de eerste ziektedag van het nieuwe ziektegeval op 12 mei 2011 lag, binnen vier weken na het einde van de eerdere uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het besluit van het UWV van 3 mei 2011, waarin de uitkering werd beëindigd, in rechte vaststaat omdat appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De Raad volgde de medische beoordeling dat het nieuwe ziektegeval binnen vier weken na het einde van de uitkering is ingetreden en dat appellant niet in ander werk was hervat.
Hierdoor was het UWV terecht bevoegd de nieuwe ZW-uitkering te weigeren. De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 mei 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een nieuwe ZW-uitkering toe te kennen na het bereiken van de maximale uitkeringsduur.