ECLI:NL:CRVB:2013:1652

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2013
Publicatiedatum
4 september 2013
Zaaknummer
12-3824 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering na maximale termijn en nieuw ziektegeval

Appellant, een zelfstandig installateur en vrijwillig verzekerd onder de Ziektewet, ontving ziekengeld van 20 april 2009 tot 17 april 2011. Het UWV beëindigde de uitkering na het bereiken van de maximale termijn van 104 weken. Na een ziekenhuisopname en operatie in mei 2011 meldde appellant zich opnieuw ziek. Het UWV weigerde een nieuwe ZW-uitkering toe te kennen omdat de maximale uitkeringsperiode was bereikt.

Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, stellende dat hij vóór 17 april 2011 volledig hersteld was en dat de beëindiging van de uitkering niet aan ziekte maar aan economische omstandigheden lag. De verzekeringsarts van het UWV stelde echter vast dat de eerste ziektedag van het nieuwe ziektegeval op 12 mei 2011 lag, binnen vier weken na het einde van de eerdere uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het besluit van het UWV van 3 mei 2011, waarin de uitkering werd beëindigd, in rechte vaststaat omdat appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De Raad volgde de medische beoordeling dat het nieuwe ziektegeval binnen vier weken na het einde van de uitkering is ingetreden en dat appellant niet in ander werk was hervat.

Hierdoor was het UWV terecht bevoegd de nieuwe ZW-uitkering te weigeren. De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 mei 2012.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een nieuwe ZW-uitkering toe te kennen na het bereiken van de maximale uitkeringsduur.

Uitspraak

12/3824 ZW
Datum uitspraak: 4 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 mei 2012, 11/5144 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Molleman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die werkzaam was als zelfstandig installateur en vrijwillig verzekerd was op grond van de Ziektewet (ZW), heeft van 20 april 2009 tot en met 17 april 2011 ziekengeld ontvangen. Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat na 104 weken het recht op ZW-uitkering eindigt en dat daarom tot en met 17 april 2011 uitkering wordt betaald.
1.2. Op 12 mei 2011 is appellant in het ziekenhuis opgenomen en geopereerd. Op 13 mei 2011 is hij uit het ziekenhuis ontslagen. Op 25 mei 2011 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 24 juni 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant een ZW-uitkering toe te kennen, omdat op 18 april 2011 de maximale termijn was bereikt.
1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 24 juni 2011 bezwaar gemaakt. In het kader daarvan is rapport uitgebracht door de verzekeringsarts van het Uwv, die heeft geconcludeerd dat de eerste ziektedag van appellant gelegen is op 12 mei 2011. Bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juni 2011 ongegrond verklaard.
2.
Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat appellant met ingang van 12 mei 2011 opnieuw arbeidsongeschikt is geworden. Doordat tegen het besluit van het Uwv van 3 mei 2011, waarin de ZW-uitkering per 18 april 2011 beëindigd is wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn, geen bezwaar is aangetekend, staat dat besluit in rechte vast. Hierdoor staat in beginsel ook vast dat appellant niet vóór 17 april 2011 geheel is hersteld voor zijn eigen werk
3.
In hoger beroep is aangevoerd dat appellant vóór 17 april 2011 geheel hersteld was voor zijn eigen werkzaamheden. Appellant stelt dat niet als gevolg van ziekte maar als gevolg van de economische crisis en de opstelling van het Uwv gedurende de maximum periode van 104 weken uitkering is verleend.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 29, vijfde lid, van de ZW, voor zover hier van belang, wordt geen ziekengeld uitgekeerd nadat een tijdvak van 104 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat voor de berekening van de periode van 104 weken, de samentellingsregel ook toepassing vindt in het geval dat gedurende de maximum periode van 104 weken uitkering is verleend en betrokkene binnen vier weken nadien weer arbeidsongeschikt wordt; zulks ongeacht of die arbeidsongeschiktheid intreedt na werkhervatting (zie de uitspraak van de Raad van 11 juni 1997, LJN ZB6958). Voorts volgt uit vaste rechtspraak van de Raad dat artikel 29, vijfde lid, van de ZW niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen indien hervat is in ander werk en de ongeschiktheid kennelijk voortvloeit uit een andere oorzaak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van
28 november 2007, LJN BC0042).
4.2.
Appellant kan niet meer opkomen tegen het besluit van het Uwv van 3 mei 2011, waarin de ZW-uitkering per 18 april 2011 beëindigd is wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Het besluit, en daarmee ook het bereiken van de maximale uitkeringstermijn, is dan ook in rechte vast komen te staan.
4.3.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts van het Uwv ten aanzien van de eerste ziektedag op 12 mei 2011. De eerste ziektedag is gelegen binnen vier weken na beëindiging van het recht op ziekengeld van appellant en hij heeft na
17 april 2011 en vóór bovengenoemde ziekmelding niet hervat in enig ander werk.
4.4.
Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd appellant ter zake van het nieuwe ziektegeval een ZW-uitkering toe te kennen. Hetgeen overigens door appellant is aangevoerd kan, gelet op het vorenstaande, niet leiden tot een andersluidend oordeel.
5.
Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en R.E. Bakker en
M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) I.J. Penning

EH