ECLI:NL:CRVB:2013:1667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering militair invaliditeitspensioen wegens onvoldoende mate van invaliditeit
Appellant, een dienstplichtig militair, liep tijdens een training in Noorwegen in 2002 een voetletsel op. In 2008 verzocht hij om een militair invaliditeitspensioen. De minister van Defensie weigerde dit omdat de mate van invaliditeit volgens medisch advies minder dan 10% bedroeg, met toepassing van WPC-nummer 0254, wat een invaliditeit van 3% vertegenwoordigt.
Appellant voerde aan dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan WPC-nummer 0253, dat een invaliditeit van 10% zou rechtvaardigen, en verwees naar een rapport van een orthopedisch chirurg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de WPC-schaal slechts een richtlijn is en dat de minister vergelijkenderwijs codes mag toepassen. Uit het medisch onderzoek bleek dat de voet goed beweeglijk was, zonder ankylose, die volledige onbeweeglijkheid betekent.
De Raad zag geen reden om aan het standpunt van de minister te twijfelen en bevestigde het besluit tot weigering van het invaliditeitspensioen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van het invaliditeitspensioen omdat de mate van invaliditeit minder dan 10% bedraagt.