ECLI:NL:CRVB:2013:1669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terugwerkende vergoeding huishoudelijke hulp op grond van Wuv
Appellant, een vervolgingsslachtoffer uit 1940-1945, verzocht om een vergoeding voor huishoudelijke hulp met terugwerkende kracht vanaf januari 2010. Verweerder kende aanvankelijk een vergoeding toe vanaf maart 2012, maar weigerde de terugwerkende vergoeding. Appellant stelde dat hij niet bekend was met de aanvraagmogelijkheid en dat zijn werkzaamheden voor vervolgingsslachtoffers hem verhinderden om tijdig een aanvraag in te dienen.
De Raad beoordeelde of verweerder redelijk heeft gehandeld door geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om een vergoeding met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak vormt onbekendheid met de regeling geen grond voor terugwerkende toekenning. Ook overtuigde appellant niet dat zijn activiteiten hem belemmerden tijdig te verzoeken.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van verweerder. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft de vergoeding beperkt tot de datum van de aanvraag in maart 2012.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van terugwerkende vergoeding bevestigd.