ECLI:NL:CRVB:2013:1672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wubo-uitkering wegens ontbreken blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg een Wubo-uitkering aan vanwege internering tijdens de Japanse bezetting. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.
Appellante stelde dat haar internering langer duurde dan vastgesteld en dat de psychische schade levenslang is. Verweerder betwistte de langere internering en baseerde zich op informatie van het Rode Kruis en medische adviezen.
De Raad oordeelde dat de eigen verklaring van appellante onvoldoende werd ondersteund door objectieve gegevens en dat het beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering niet leidde tot een andere uitkomst. De medische adviezen wezen uit dat de psychische en lichamelijke klachten niet in verband stonden met het oorlogsgeweld.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld.