ECLI:NL:CRVB:2013:1721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeschiktheidstoetsing voor arbeid bij ziektewetuitkering
Appellant, die van 25 maart tot 7 november 2008 als tuinbouwmedewerker werkte, meldde zich op 1 augustus 2011 ziek wegens duizeligheids- en vermoeidheidsklachten tijdens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV stelde na medisch onderzoek op 25 oktober 2011 vast dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 17 januari 2012 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen als zorgvuldig en voldoende onderbouwd beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten sinds de zomer van 2011 waren toegenomen en dat hij daardoor niet in staat was zijn fysiek zware werkzaamheden te verrichten. De Raad verwijst naar artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet en oordeelt dat de rapporten van de verzekeringsartsen een voldoende medische grondslag vormen voor het oordeel dat appellant geschikt was. Daarbij is meegewogen dat de klachten al langer bestonden en appellant hiermee functioneerde. De bezwaarverzekeringsarts betrok ook informatie van de neuroloog, waaruit bleek dat er sprake was van aspecifieke duizeligheid zonder neurologische afwijkingen.
Namens appellant is geen aanvullende medische informatie overgelegd die ongeschiktheid zou aantonen. Er is dan ook geen reden een onafhankelijk deskundige in te schakelen. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geschikt was voor zijn arbeid.