ECLI:NL:CRVB:2013:1740

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 september 2013
Publicatiedatum
11 september 2013
Zaaknummer
11-3366 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 9 Besluit Studiefinanciering 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep wegens ontbreken tijdige verklaring

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden, maar trok dit beroep later in en verzocht gelijktijdig om proceskostenvergoeding van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De Minister diende een verweerschrift in. De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en sloot het onderzoek.

Volgens artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan bij intrekking van het beroep worden veroordeeld in de proceskosten indien het bestuursorgaan aan de indiener tegemoet is gekomen. De Raad stelde vast dat de Minister aan appellant was tegemoetgekomen, maar dat bijzondere omstandigheden een kostenveroordeling uitsluiten.

In dit geval had appellant pas in hoger beroep een verklaring overgelegd die volgens het Besluit Studiefinanciering 2000 doorslaggevend was. Deze verklaring had appellant echter al in een eerdere fase kunnen overleggen. Door het ontbreken van deze tijdige verklaring was de procedure mede het gevolg van het handelen van appellant. Daarom wees de Raad het verzoek tot vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat appellant de benodigde verklaring niet tijdig heeft overgelegd.

Uitspraak

11/3366 WSF
Datum uitspraak: 11 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 april 2011, 10/335 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft op 7 juni 2011 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Minister te veroordelen in de proceskosten.
De Minister heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Minister aan appellant is tegemoetgekomen. Onder die omstandigheden moet de Minister in beginsel in de kosten worden veroordeeld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, wat met name het geval is als de procedure het gevolg is van de handelwijze van appellant. In dit geval is daarvan sprake. Immers, eerst in hoger beroep heeft appellant een verklaring als bedoeld in artikel 9 van Pro het Besluit Studiefinanciering 2000 overgelegd. Niet valt in te zien dat appellant deze verklaring niet al bij het verzoek om loskoppeling, althans uiterlijk in de bezwaarfase, over had kunnen leggen. Gelet op de door de Minister aan appellant in de primaire fase en in de bezwaarfase verstrekte informatie was het duidelijk dat het overleggen van een dergelijke verklaring van doorslaggevend belang is ter onderbouwing van het door appellant ingediende verzoek.
Er bestaat dan ook geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
11 september 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven

TM