In deze zaak gaat het om de vaststelling dat betrokkene schuldig nalatig is geweest in het voldoen van premies voor de volksverzekeringen over de jaren 2003, 2004 en 2005. De rechtbank had eerder de besluiten van de Sociale Verzekeringsbank vernietigd omdat zij oordeelde dat de aanslagen niet voldoende waren ingebracht en dat niet aannemelijk was dat betrokkene deze had ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat de rechtbank een onjuist wettelijk kader heeft toegepast en dat de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) van toepassing is. De Raad beoordeelt vervolgens of betrokkene terecht schuldig nalatig is verklaard. De aanslagen zijn niet verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, terwijl de Belastingdienst hiertoe gehouden was. Betrokkene kon het niet ontvangen van de aanslagen niet worden toegerekend, mede omdat zij niet was ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (Gba) en de Belastingdienst dit had moeten ondervangen.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak voor zover deze appellant opdroeg nieuwe besluiten te nemen en herroept de besluiten van 13 augustus 2009. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en het griffierecht wordt vastgesteld.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte bekendmaking van belastingaanslagen en dat het ontbreken van een actuele inschrijving in de Gba niet automatisch leidt tot toerekening van het niet ontvangen van aanslagen aan de betrokkene.