ECLI:NL:CRVB:2013:1761

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 september 2013
Publicatiedatum
13 september 2013
Zaaknummer
12-5551 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 4:6 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening AOW-kortingsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak waarin de Raad het besluit bevestigde waarbij een korting van 2% op zijn AOW-pensioen werd toegepast. Verzoeker stelde dat hij onterecht werd gekort omdat hij gedurende 51 jaar verzekerd zou zijn geweest voor de AOW, onder meer door toepassing van een overgangsregeling en verzekeringsjaren in België.

De Raad overwoog dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie te voeren of eerdere argumenten opnieuw te behandelen. De aangevoerde feiten en omstandigheden waren niet nieuw en hadden redelijkerwijs eerder ingebracht kunnen worden. Daarnaast was reeds inhoudelijk geoordeeld over de verzekeringsstatus in België.

Daarom concludeerde de Raad dat het verzoek niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8:88 Awb Pro en wees het verzoek om herziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E.V. Lenos op 13 september 2013.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over de AOW-korting wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/5551 AOW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, 10/5347
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012.
De Svb heeft een reactie op dit verzoek om herziening ingezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 juni 2013, waar verzoeker is verschenen en de Svb zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.
Bij zijn uitspraak van 17 augustus 2012 heeft de Raad, oordelend op het hoger beroep van verzoeker, de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 september 2010, 09/5362, bevestigd. De Raad heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verzoeker bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 1 mei 1998, waarbij aan appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is toegekend waarop een korting van 2% is toegepast, geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb heeft vermeld. Voorts heeft de Raad, kort samengevat, geoordeeld dat het inkomen dat appellant uit België ontvangt, aangemerkt moet worden als een ouderdomsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid. Appellant was in de periode van 29 december 1957 tot 27 januari 1959 verzekerd voor de Belgische wettelijke regeling inzake ouderdomspensioen en niet verzekerd voor de AOW.
3.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren gebracht dat de korting op zijn pensioen ten onrechte is toegepast, omdat hij gedurende 51 jaar verzekerd is geweest voor de AOW. Vanaf zijn 14e verjaardag is verzoeker onderworpen geweest aan de loonbelasting en op grond van de overgangsregeling bij de invoering van de AOW was hij ook dat jaar verzekerd. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij gedurende de periode dat hij in België werkzaamheden heeft verricht eveneens verzekerd was voor de AOW.
4.1.
Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht is niet aan te merken als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 7 september 2010, LJN BN7879) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren, noch om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. De stelling dat verzoeker op grond van de overgangsregeling bij de invoering van de AOW vanaf zijn 14e verjaardag verzekerd was, is niet aan te merken als een feit of omstandigheid als omschreven onder 1, reeds omdat niet is gebleken dat verzoeker dit argument niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voorts is in de uitspraak van de Raad waarvan herziening wordt gevraagd al inhoudelijk ingegaan op de vraag of verzoeker verzekerd was gedurende de periode dat hij in België heeft gewerkt. Ook in dit verband heeft verzoeker geen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb naar voren gebracht.
4.2.
Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
5.
Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2013.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) E. Heemsbergen
JvC