ECLI:NL:CRVB:2013:1771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat Svb en bestuursrechter niet bevoegd zijn beslag op AOW-uitkering te toetsen
Appellant ontving een AOW-uitkering waarop beslag was gelegd door een gerechtsdeurwaarder namens schuldeisers, met een aangegeven beslagvrije voet. De Sociale verzekeringsbank (Svb) hield daarom een bedrag in op de uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat het beslag onnodig was omdat hij binnenkort zijn schulden zou voldoen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de beoordeling van de geldigheid van het beslag exclusief aan de civiele rechter toekomt en dat de Svb en bestuursrechter slechts binnen de grenzen van het beslag mogen handelen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad benadrukte dat de Svb bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven en dat het feit dat appellant binnenkort zijn schulden kan voldoen, niet relevant is voor de beoordeling van de beslaglegging. De inhouding op de AOW-uitkering werd per 1 juni 2011 beëindigd vanwege een wijziging van de beslagvrije voet.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Zutphen bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding op de AOW-uitkering is rechtmatig.