Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1786

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
12-3184 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid bevestigd in hoger beroep

Appellant was via een uitzendbureau werkzaam als trajectbegeleider en meldde zich wegens psychische klachten ziek. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 17 mei 2011 omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit bevestigde op basis van een zorgvuldig medisch onderzoek.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant zijn werk kon verrichten en dat het probleem lag bij het ontbreken van werk. De bezwaarverzekeringsarts vond geen aanleiding om af te wijken van deze conclusie, ondanks de psychiater die een posttraumatische stressstoornis had vastgesteld.

Appellant bracht geen nieuwe medische gegevens in die de eerdere conclusies konden weerleggen. De Raad oordeelde dat het UWV op verantwoorde wijze heeft gehandeld en dat er geen reden was voor nader medisch onderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.

Uitspraak

12/3184 ZW
Datum uitspraak: 18 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
25 april 2012, 11/1979 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Faber-Speksnijder hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Faber-Speksnijder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.
Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau 20 uur per week als trajectbegeleider bij de gemeente Apeldoorn werkzaam geweest. Hij heeft zich op 27 december 2010 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan hem uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
2.
Bij besluit van 16 mei 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 17 mei 2011 beëindigd, omdat appellant op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
3.
Bij besluit van 9 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 mei 2011 ongegrond verklaard.
4.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank zag geen reden de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek. Met de rapportages van bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings van 1 augustus 2011 en 20 januari 2012 is volgens de rechtbank afdoende toegelicht waarom de visie van de behandelend psychiater van appellant dr. H.L.S.M. Busard niet wordt gevolgd.
5.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
De verzekeringsarts die appellant medio april 2011 op het spreekuur heeft gezien is op grond van haar onderzoeksbevindingen en gelet op de informatie van voornoemde psychiater toen reeds tot de conclusie gekomen dat appellant zijn werk wel kon verrichten, maar dat het probleem was gelegen in de omstandigheid dat appellant geen werk had. Om appellant even tijd te geven om actief te solliciteren heeft de verzekeringsarts hem per 2 mei 2011 hersteld verklaard en daartoe op 14 april 2011 een verklaring van arbeidsgeschiktheid afgegeven. Na een tussentijdse verzekeringsgeneeskundige rapportage van 12 mei 2011 is vervolgens het primaire besluit genomen dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Dit besluit berust op een rapport van 1 augustus 2011 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts, die na onderzoek van appellant en kennisneming van nadere informatie van appellants huisarts gemotiveerd heeft uiteengezet dat er ook gelet op de bevindingen van de primaire verzekeringsarts geen reden is om haar standpunt niet te volgen. Bij onderzoek is immers geen ernstig depressieve man gezien, terwijl het standpunt van voornoemde psychiater dat er sprake was van een
posttraumatische stress-stoornis, gezien de bevindingen bij het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts, niet kon worden onderschreven. In een rapport van
20 januari 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts vervolgens voldoende overtuigend uiteengezet waarom aan de mening van voornoemde psychiater geen beslissende betekenis kan worden toegekend, daarbij opmerkend dat zijn standpunt dat appellant niet in staat is om reguliere arbeid te verrichten de bevoegdheid van de behandelend psychiater te buiten gaat.
5.2.
Het vorenstaande in aanmerking genomen is van de zijde van het Uwv op verantwoorde wijze geconcludeerd dat appellant op de datum in geding niet buiten staat was zijn werk te verrichten. De overgelegde verklaring van appellants huisarts van 3 juli 2013 beschrijft verder slechts de actuele situatie van appellant. Appellant heeft dan ook geen medische gegevens ingebracht die reden vormen om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken, zodat er ook geen aanleiding is voor een nader medisch onderzoek.
5.3.
Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.
Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en
M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) H.J. Dekker

QH