Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1791

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2013
Publicatiedatum
18 september 2013
Zaaknummer
11-6019 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing IVA-uitkering wegens onvoldoende duurzaamheid arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek in 2008 en vroeg in 2010 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij voor 50% arbeidsongeschikt was en recht had op een WGA-uitkering. Na bezwaar werd de arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en vastgesteld op meer dan 80%, maar het bezwaar tot toekenning van een IVA-uitkering werd afgewezen omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht.

De rechtbank oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende had gemotiveerd dat er reële behandelmogelijkheden waren die herstel konden bevorderen, waardoor de arbeidsmogelijkheden op termijn konden toenemen. De fysieke klachten konden verbeteren door gerichte trainingen, ondanks de verstandelijke beperkingen die niet zouden veranderen.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, mede door meerdere fysieke klachten en onvermogen om trainingen te volgen. De Raad volgt dit niet omdat appellant dit niet met medische stukken onderbouwde en sluit zich aan bij de eerdere motivering dat er een reële kans op herstel is.

De Raad bevestigt dat duurzaam arbeidsongeschikt zijn betekent dat iemand medisch stabiel of verslechterend is met geringe kans op herstel. De inschatting van de verzekeringsarts moet gebaseerd zijn op een concrete en deugdelijke afweging van individuele omstandigheden en mogelijke resultaten van behandelingen. Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant komt niet in aanmerking voor een IVA-uitkering.

Uitspraak

11/6019 WIA
Datum uitspraak: 18 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
30 augustus 2011, 11/917 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2013. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als schoonmaker in de voedselindustrie toen hij zich op
11 november 2008 heeft ziek gemeld vanwege maag-darmklachten. Appellant heeft op
16 juli 2010 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.
1.2. Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant voor 50% arbeidsongeschikt is en dat voor hem met ingang van 20 november 2010 recht op een loongerelateerde werkhervattingsuitkering voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten
(WGA-uitkering) is ontstaan op grond van de Wet WIA.
1.3. Bij besluit van 2 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 oktober 2010 gegrond verklaard omdat na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant meer dan 80% bedraagt. Voor het overige heeft het Uwv het besluit van 13 oktober 2010 gehandhaafd. Appellant heeft zich met deze beslissing niet kunnen verenigen. Hij is van mening dat zijn arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam is en dat hij op die grond in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).
2.
Met verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 4 februari 2009, LJN BH1896, heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 31 januari 2011 en 20 juni 2011 voldoende gemotiveerd uiteen heeft gezet dat er op de datum hier in geding geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen van appellant aan te nemen nu in de situatie van appellant sprake was van reële behandelmogelijkheden op grond waarvan mocht worden verwacht dat zijn arbeidsmogelijkheden - op termijn - zouden toenemen. In voornoemde rapporten heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat de verstandelijke beperkingen van appellant naar verwachting niet zullen veranderen, maar dat een meer dan geringe kans bestaat op verbetering van de lichamelijke mogelijkheden. De beperkingen als gevolg van de fysieke klachten kunnen afnemen indien appellant gerichte trainingen gaat volgen, gericht op het tegengaan van overgewicht en het versterken van de rugspieren. Indien de beperkingen afnemen en de belastbaarheid toeneemt, is het niet uitgesloten dat in de toekomst weer functies kunnen worden geduid. Het (weer) verrichten van arbeid zal volgens de bezwaarverzekeringsarts ten slotte een positief effect kunnen hebben op de psychische klachten van appellant. Het standpunt van appellant dat sprake is van onvermogen om ter verbetering van zijn fysieke klachten bepaalde trainingen te volgen, wordt door de rechtbank niet gevolgd aangezien dit standpunt niet met medische stukken is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook op goede gronden besloten dat appellant op de datum in geding niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.
3.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat hij op die grond in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, nu de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van zijn verstandelijke vermogens immers heeft overwogen dat de beperkingen dienaangaande niet zullen veranderen. Alleen het tegengaan van overgewicht zal niet leiden tot een afname van de fysieke klachten nu appellant een scala aan fysieke klachten heeft, waaronder rug-, maag-, darm-, nek-, schouder- en hoofdpijnklachten. Ten slotte is bij appellant sprake van een onvermogen om ter verbetering van zijn fysieke klachten bepaalde trainingen te volgen, zodat adequaat herstelgedrag niet valt te verwachten.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, voor zover hier van belang, volgens artikel 4 van Pro de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.3.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.4.
In het licht van hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen kan de Raad zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd. In hoger beroep worden geen wezenlijk andere - met medische informatie onderbouwde - gezichtspunten naar voren gebracht dan die al in beroep zijn aangevoerd. Het hoger beroep kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.
5.
Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en
M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) H.J. Dekker

EH