ECLI:NL:CRVB:2013:1791
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.S. van der Kolk
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IVA-uitkering wegens onvoldoende duurzaamheid arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek in 2008 en vroeg in 2010 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij voor 50% arbeidsongeschikt was en recht had op een WGA-uitkering. Na bezwaar werd de arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en vastgesteld op meer dan 80%, maar het bezwaar tot toekenning van een IVA-uitkering werd afgewezen omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende had gemotiveerd dat er reële behandelmogelijkheden waren die herstel konden bevorderen, waardoor de arbeidsmogelijkheden op termijn konden toenemen. De fysieke klachten konden verbeteren door gerichte trainingen, ondanks de verstandelijke beperkingen die niet zouden veranderen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, mede door meerdere fysieke klachten en onvermogen om trainingen te volgen. De Raad volgt dit niet omdat appellant dit niet met medische stukken onderbouwde en sluit zich aan bij de eerdere motivering dat er een reële kans op herstel is.
De Raad bevestigt dat duurzaam arbeidsongeschikt zijn betekent dat iemand medisch stabiel of verslechterend is met geringe kans op herstel. De inschatting van de verzekeringsarts moet gebaseerd zijn op een concrete en deugdelijke afweging van individuele omstandigheden en mogelijke resultaten van behandelingen. Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant komt niet in aanmerking voor een IVA-uitkering.