ECLI:NL:CRVB:2013:1802
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- J.J.A. Kooijman
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet verschijnen op trajectadres Springplank
Appellant ontvangt bijstand op grond van de WWB en is door het college aangemeld voor een traject bij Springplank gericht op arbeidsinschakeling. Ondanks meerdere oproepen en herinneringen heeft appellant zich niet gemeld op het trajectadres na zijn vakantieperiode. Het college heeft daarom de bijstand met 50% verlaagd voor de duur van een maand.
Appellant voerde aan dat hij niet duidelijk was geïnformeerd over de verplichting tot deelname aan het traject en de gevolgen van niet verschijnen. Ook stelde hij dat hij op 7 maart 2011 vakantie had en niet wist dat hij daarna moest verschijnen. De Raad oordeelt dat de verplichting tot deelname aan het traject voortvloeit uit de WWB en niet expliciet in een besluit hoeft te worden vastgelegd.
Verder was appellant voldoende geïnformeerd via brieven en herinneringen over de datum en tijd van verschijnen. Zijn vakantie op 7 maart was bekend, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ook in de periode daarna afwezig was. De Raad concludeert dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door niet te verschijnen zonder bericht van verhindering, en bevestigt de verlaging van de bijstand.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 50% gedurende een maand wordt bevestigd wegens het niet verschijnen op het trajectadres zonder geldige reden.