ECLI:NL:CRVB:2013:1825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 23 september 2004 arbeidsongeschikt vanwege arm- en handklachten en psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 11 januari 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. Bij besluit van 27 juli 2010 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en stopte de uitkering.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar fysieke en psychische klachten, waaronder operaties aan haar rechterhand en PTSS. De bezwaarverzekeringsarts voerde aanvullingen door in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) met betrekking tot psychische beperkingen, maar vond geen aanleiding om de fysieke beperkingen aan te scherpen. De bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat de geduide functies geschikt waren voor appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de PTSS onvoldoende was onderbouwd met objectieve gegevens en dat het subjectieve oordeel van appellante onvoldoende was om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Er waren geen nieuwe medische gegevens die een ander oordeel rechtvaardigden en de arbeidskundige beoordeling was voldoende gemotiveerd.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WGA-uitkering meer ontvangt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.