ECLI:NL:CRVB:2013:1826

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2013
Publicatiedatum
24 september 2013
Zaaknummer
11-7359 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende psychische beperkingen

Appellante ontving een WAO-uitkering wegens schouderklachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok de uitkering per 10 december 2006 in vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante meldde verslechtering van haar gezondheid in 2009 en 2010, maar het UWV weigerde een nieuwe uitkering toe te kennen omdat geen periode van vier weken met toegenomen arbeidsongeschiktheid kon worden vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de psychische klachten niet ernstig genoeg waren om beperkingen in functioneren vast te stellen. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten waren toegenomen en niet juist waren beoordeeld, onderbouwd met verklaringen van behandelaars.

De Raad oordeelt dat de gronden in hoger beroep een herhaling zijn van eerdere bezwaren die reeds zijn afgewezen. De nieuwe stukken betreffen een periode buiten de in geschil zijnde tijd. Daarom bevestigt de Raad de eerdere uitspraak en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende psychische beperkingen.

Uitspraak

11/7359 WAO
Datum uitspraak: 20 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van
28 oktober 2011, 10/5464 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te[woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2013. Voor appellante is
mr. Küçükünal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft in verband met schouderklachten een uitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft de aan appellante toegekende uitkering met ingang van 10 december 2006 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De Raad heeft de intrekking van de uitkering bij uitspraak van 25 november 2009, LJN BK4500, in stand gelaten.
1.2. Op 18 november 2009 en 8 maart 2010 heeft appellante bij het Uwv gemeld dat haar gezondheidstoestand was verslechterd.
1.3. Bij besluit van 26 juli 2010 heeft het Uwv geweigerd om appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de WAO, omdat er sedert 10 december 2006 geen periode van vier weken is aan te wijzen waarin sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
1.4. Bij besluit van 25 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 26 juli 2010 ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en dat niet is gebleken dat deze verzekeringsartsen hierbij zijn uitgegaan van een onjuist beeld van de gezondheidstoestand van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft het aannemelijk geacht dat de aanhoudende fysieke klachten van appellante aanleiding geven tot psychische klachten. Op basis van het door hem en de verzekeringsarts verrichte onderzoek naar de psyche en de voorhanden medische gegevens, waaronder informatie van Stichting Hooghuys en de huisarts, heeft de bezwaarverzekeringsarts zich echter op het standpunt gesteld dat de psychische klachten van appellante niet dusdanig ernstig zijn dat deze aanleiding geven tot het stellen van beperkingen ten aanzien van het normaal functioneren. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen gedurende een periode van vier weken sinds 10 december 2006.
3.
In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat haar uit psychische klachten voortkomende beperkingen zijn onderschat. Zij betoogt dat haar psychische klachten zijn toegenomen en niet juist zijn gewaardeerd. De psychische klachten van appellante zijn niet louter te duiden als een psychogene reactie op aanhoudende fysieke beperkingen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar stukken van haar behandelaars, waaronder een verklaring van 18 januari 2012 van psycholoog D. Bruins.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat uit de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 18 november 2010 en 7 maart 2011 naar voren is gekomen dat de psychische klachten van appellante niet een dusdanige psychische component hebben dat deze aanleiding zouden moeten geven beperkingen vast te stellen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren.
4.2.
De in hoger beroep door appellante ingezonden stukken met betrekking tot haar gezondheidstoestand kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze geen betrekking hebben op de periode die in geding is.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) D.E.P.M. Bary

QH