ECLI:NL:CRVB:2013:1826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende psychische beperkingen
Appellante ontving een WAO-uitkering wegens schouderklachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok de uitkering per 10 december 2006 in vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante meldde verslechtering van haar gezondheid in 2009 en 2010, maar het UWV weigerde een nieuwe uitkering toe te kennen omdat geen periode van vier weken met toegenomen arbeidsongeschiktheid kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de psychische klachten niet ernstig genoeg waren om beperkingen in functioneren vast te stellen. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten waren toegenomen en niet juist waren beoordeeld, onderbouwd met verklaringen van behandelaars.
De Raad oordeelt dat de gronden in hoger beroep een herhaling zijn van eerdere bezwaren die reeds zijn afgewezen. De nieuwe stukken betreffen een periode buiten de in geschil zijnde tijd. Daarom bevestigt de Raad de eerdere uitspraak en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende psychische beperkingen.