Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1867

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 september 2013
Publicatiedatum
26 september 2013
Zaaknummer
12-1241 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten bij zelfstandig wonen

Appellante vroeg bijzondere bijstand op grond van de WWB voor verhuis- en inrichtingskosten vanwege haar eerste zelfstandige woning. Het college wees de aanvragen af omdat volgens hen geen sprake was van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat sociale en medische redenen de kosten noodzakelijk maakten. Zij overlegde verklaringen van haar moeder en huisarts die psychische klachten en een slechte relatie met haar moeder onderbouwden. Ook wees zij op het ontbreken van eigen spaargeld door schulden.

De Raad oordeelde dat het college een redelijk uitgangspunt hanteert dat men eerst moet sparen alvorens zelfstandig te wonen, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De medische verklaring was te algemeen en er ontbrak een geobjectiveerde diagnose of behandelplan. Ook het ontbreken van spaargeld door schulden vormt geen bijzondere omstandigheid.

Hierdoor concludeert de Raad dat de afwijzing terecht was en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt bevestigd wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

12/1241 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2012, 11/1138 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.M. Tang, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 15 augustus 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1986, ontving, na periodes van werk en een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, sedert 13 april 2010 een uitkering ingevolge de Wet investeren in jongeren. Appellante woonde bij haar moeder. Op 30 september 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor verhuis- en inrichtingskosten omdat zij zelfstandig ging wonen.
1.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 14 oktober 2010 heeft het college de aanvraag met betrekking tot zowel de verhuiskosten als de inrichtingskosten afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 28 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 oktober 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, kort gezegd, geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de kosten waarvoor zij bijzondere bijstand heeft gevraagd om zowel sociale als medische redenen noodzakelijk waren. Ter onderbouwing van de sociale noodzaak heeft appellante een verklaring van haar moeder overgelegd, waarin staat dat zij met haar dochter geen goede band had. Ter onderbouwing van de medische noodzaak heeft appellante een verklaring van haar huisarts van 6 maart 2012 overgelegd, waarin melding wordt gemaakt van reeds in 2010 bestaande psychische klachten bij appellante, die mede het gevolg zijn van de slechte relatie met haar moeder. Voorts heeft appellante gewezen op de omstandigheid dat zij voor het eerst ging verhuizen naar een zelfstandige woning, zodat geen meubelen uit de vorige woning meegenomen konden worden. Als gevolg daarvan diende appellante de gehele inrichting zelf aan te schaffen. In verband met haar schulden heeft appellante die financiële ruimte niet, en heeft zij ook niet kunnen reserveren.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
Het college hanteert als uitgangspunt dat iedereen van 18 jaar en ouder recht heeft op zelfstandige huisvesting, maar dat personen die zich voor het eerst zelfstandig huisvesten daarvoor moeten sparen. Wanneer iemand nog niet voldoende heeft gespaard, moet hij het zelfstandig wonen uitstellen. Alleen wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden
- medische noodzaak of sociale noodzaak voor de nieuwe huisvesting - is verstrekking van bijzondere bijstand voor de nieuwe huisvesting mogelijk. Maar als de betrokkene heeft nagelaten te sparen, wordt ook dan geen bijstand verstrekt.
4.3.
Het door het college gehanteerde uitgangspunt dat een betrokkene eerst moet sparen alvorens zich zelfstandig te gaan huisvesten is niet onaanvaardbaar. Daarvan uitgaande heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of hier sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
4.4.
De in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts heeft, anders dan de in beroep bij de rechtbank overgelegde verklaring, betrekking op de periode ten tijde van de aanvraag. De verklaring is evenwel in algemene bewoordingen opgesteld. Daaruit blijkt niet van
- bijvoorbeeld - een geobjectiveerde diagnose en een behandelplan. Deze verklaring biedt, ook gelezen in samenhang met de verklaring van de moeder, onvoldoende onderbouwing om een medische of sociale noodzaak tot onmiddellijke verhuizing aannemelijk te achten. Ook het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende verplichting tot terugbetaling is geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval het verlenen van bijzondere bijstand rechtvaardigt. Dit betekent dat de conclusie van de rechtbank, dat de aanvragen van appellante om bijzondere bijstand terecht zijn afgewezen, juist is.
4.5.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2013.
(getekend) J.C.F. Talman
(getekend) A.C. Oomkens

EH