ECLI:NL:CRVB:2013:1879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde bij besluit van 22 december 2010 vast dat zij niet arbeidsongeschikt was in de zin van de Wet WIA. Na bezwaar verklaarde het UWV dit besluit ongegrond, mede gebaseerd op rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidskundige.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische informatie geen aanleiding gaf tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. Ook het door appellante overgelegde medisch rapport van Margolin werd niet overtuigend geacht, mede omdat het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WIA niet was toegepast. Het subjectieve oordeel van appellante werd volgens vaste rechtspraak niet als voldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid beschouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar klachten en geen informatie opvroeg bij de Geestelijke Gezondheidszorg. De Raad overwoog dat de medische grondslag van het UWV deugdelijk was en dat het rapport van Margolin geen objectieve medische gegevens bevatte die tot een ander oordeel zouden leiden. De stelling dat het UWV geen informatie bij de GGZ opvroeg, werd verworpen omdat appellante dit zelf had kunnen doen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.