ECLI:NL:CRVB:2013:1906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- R.E. Bakker
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet WIA, maar het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een uitkering. Zowel de verzekeringsartsen als de arbeidsdeskundigen van het UWV hebben hun onderzoek zorgvuldig uitgevoerd en voldoende medische informatie gebruikt om hun oordeel te baseren.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond verklaard, waarbij zij onder meer heeft overwogen dat de beperkingen van appellant adequaat zijn beoordeeld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn behandelend neurologen ernstige energetische beperkingen hadden vastgesteld die een deeltijdse arbeidsparticipatie noodzakelijk maken, maar dit werd niet ondersteund door de medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische en arbeidskundige beoordelingen van het UWV. De brief van de neurochirurg over toegenomen klachten na de datum van het besluit is niet relevant voor de beoordeling. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.