ECLI:NL:CRVB:2013:1946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling primair besluit en redelijke termijn bij BW-uitkering
Appellante was werkzaam bij Presikhaaf Bedrijven en ontvangt sinds haar ontslag een werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BW-uitkering). Zij maakte bezwaar tegen de berekening van de wettelijke rente en de ingangsdatum van indexeringen en CAO-aanpassingen van haar BW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 11 mei 2010, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De rechtbank oordeelde dat het beroep als bezwaar moet worden gezien waarop het dagelijks bestuur nog moet beslissen. Appellante stelde in hoger beroep dat het besluit ten onrechte als primair besluit werd aangemerkt en dat de redelijke termijn was overschreden.
De Raad oordeelt dat het besluit van 11 mei 2010 terecht als primair besluit is aangemerkt en dat het beroep als bezwaar moet worden behandeld. De redelijke termijn vangt aan bij het indienen van het bezwaarschrift in 2010, niet bij eerdere procedures in 2007. Er is geen overschrijding van de redelijke termijn en geen recht op vergoeding van proceskosten of schadevergoeding.
De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het primair karakter van het besluit en oordeelt dat er geen overschrijding van de redelijke termijn is, waardoor geen vergoeding wordt toegekend.