ECLI:NL:CRVB:2013:1951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit opschorting en intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs lening
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam onderzocht vanwege een storting van € 2.500,- op haar bankrekening. Het college vermoedde dat dit een terugbetaling was van een lening van € 30.000,- die appellante aan een derde zou hebben verstrekt. Appellante kon echter geen bewijs van deze lening overleggen en verklaarde dat zij van een lening nooit sprake was geweest, maar dat het bedrag afkomstig was uit de verkoop van haar woning.
Het college schortte vervolgens het recht op bijstand op en trok het in, omdat appellante niet de gevraagde gegevens had verstrekt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college terecht had gehandeld. In hoger beroep stelde appellante dat zij niet beschikte over de gevraagde gegevens en dat het college onterecht het recht op bijstand had geschorst en ingetrokken.
De Raad oordeelde dat het college niet bevoegd was tot opschorting en intrekking omdat appellante niet beschikte over de gevraagde gegevens en dit niet aan haar kon worden verweten. De besluiten van het college werden vernietigd en herroepen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot opschorting en intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten.