ECLI:NL:CRVB:2013:1965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuiste inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 15 februari 2011 werd hij aangehouden wegens het verrichten van werkzaamheden als snorder, waarvoor hij geen melding had gemaakt aan het college. Het college trok de bijstand over februari 2011 in en vorderde deze terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het college terecht stelde dat het vervoeren van personen tegen betaling op geld waardeerbare werkzaamheden betreft, maar dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat dat appellant vaker als snorder heeft gewerkt of inkomsten heeft genoten.
De verklaring van appellant en het proces-verbaal wezen uit dat er geen betaling was ontvangen voor de rit op 15 februari. Hierdoor ontbrak een concrete en verifieerbare basis voor de intrekking en terugvordering van de bijstand. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het besluit van 31 maart 2011 en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over februari 2011 wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.