ECLI:NL:CRVB:2013:2003
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-gemelde gemeenschappelijke huishouding
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 september 2010, omdat zij een gemeenschappelijke huishouding voerde met [B.] zonder dit te melden. Het college vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand van €18.695,72 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, omdat zij voor [B.] zorgde die dakloos was, maar hij niet voor haar. Uit verklaringen van sociaal rechercheurs bleek echter dat er sprake was van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg tussen appellante en [B.]. De rechtbank had deze verklaringen terecht doorslaggevend geacht.
Appellante stelde ook dat invordering van de schuld niet passend was vanwege de vangnetfunctie van de bijstand en haar lage inkomen. Dit betoog faalde omdat bescherming tegen beslag via de beslagvrije voet van toepassing is. Het college gaf aan dat appellante weer bijstand ontvangt en hiervan €56 per maand wordt ingehouden ter aflossing van de schuld. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en wijst het hoger beroep af.