ECLI:NL:CRVB:2013:2012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met broer bevestigd
Appellant vroeg op 16 maart 2011 bijstand aan op grond van de WWB en verklaarde alleenstaand te zijn, terwijl hij samen met zijn broer in een huurwoning woonde. Na een huisbezoek en verklaring concludeerde het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en wees de aanvraag af. De rechtbank vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de gezamenlijke huishouding vaststond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het college niet veroordeelde in de kosten van rechtsbijstand en dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat de kostenvergoeding niet toekomt omdat het primaire besluit niet is herroepen en bevestigde dat op grond van objectieve criteria sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp het verzoek van appellant om alsnog beoordeling als gezinsbijstandaanvraag wegens strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding bevestigd.