ECLI:NL:CRVB:2013:2013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand op grond van geen rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant diende op 3 mei 2011 een aanvraag in voor bijzondere bijstand volgens de WWB voor een jaarabonnement openbaar vervoer. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het EVRM een hogere regeling is dan de WWB en dat het college zijn aanvraag had moeten doorsturen naar een juiste instantie. De Raad overwoog dat appellant in de relevante periode geen vreemdeling was in de zin van de WWB, waardoor hij geen recht op bijstand had volgens artikel 16, tweede lid WWB.
Hoewel het EVRM bescherming biedt aan kwetsbare personen, kan deze positieve verplichting niet via de WWB worden ingevuld voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Deze verantwoordelijkheid ligt bij andere bestuursorganen zoals het COA. De Raad oordeelde dat het college geen noodzaak had om verder onderzoek te doen naar bijzondere bescherming en dat het college bevoegd was om de aanvraag af te wijzen.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf wordt bevestigd.