ECLI:NL:CRVB:2013:2068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering heropening AAW-uitkering na beëindiging in 1996
Appellante ontving sinds 1 oktober 1981 een AAW-uitkering, die zij op eigen verzoek beëindigde per 27 september 1996 vanwege een beoogd belang in de onderneming van haar vader, wat niet is gerealiseerd. In 2010 verzocht zij om heropening van deze uitkering met terugwerkende kracht, maar het UWV wees dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het verzoek neerkwam op terugkomen van het eerdere beëindigingsbesluit zonder nieuwe feiten of omstandigheden, zoals vereist op grond van artikel 4:6 Awb Pro.
Appellante stelde dat haar arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na beëindiging substantieel was toegenomen, maar dit was onvoldoende om heropening te rechtvaardigen. Ook werd overwogen dat de AAW per 1 januari 1998 was ingetrokken en appellante niet viel onder het overgangsrecht, noch na 1996 nog verzekerd was op grond van enige arbeidsongeschiktheidswet.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 16 oktober 2013.
Uitkomst: De heropening van de AAW-uitkering per 27 september 1996 wordt geweigerd wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.