ECLI:NL:CRVB:2013:2110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering bij toegenomen beperkingen en medische onderbouwing
Appellant, die sinds een val in 2001 meerdere operaties aan zijn linkerschouder heeft ondergaan, heeft een geschil met het UWV over de hoogte van zijn WAO-uitkering. Na aanvankelijke toekenning en intrekking van de uitkering, heeft het UWV de uitkering verlaagd naar 15-25% arbeidsongeschiktheid per 11 oktober 2010. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische beoordeling en inschatting van beperkingen juist waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, waaronder krachtsverlies in beide armen en psychische klachten, zijn onderschat en dat de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te werk ging door geen lichamelijk onderzoek te verrichten. De Raad schorste het onderzoek en liet een bezwaarverzekeringsarts nieuw onderzoek doen, die concludeerde dat de medische situatie op de datum in geding niet anders was dan eerder vastgesteld.
De Raad overwoog dat ondanks de toename van klachten na 11 oktober 2010, er geen medische onderbouwing was die aanleiding gaf tot bijstelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst. De psychische klachten waren meegenomen in de beoordeling. De geschiktheid voor de voorgehouden functies was voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de verlaging van de WAO-uitkering per 11 oktober 2010 bevestigd.