ECLI:NL:CRVB:2013:2112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant diende op 26 maart 2010 een aanvraag in voor een WAO-uitkering met als eerste ziektedag 18 juni 1999. Het UWV weigerde de uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid op 16 juni 2000 minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek aan de zorgvuldigheidseisen voldeed en dat appellant medisch in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en zijn klachten waren gebagatelliseerd. De Raad overwoog dat het onderzoek bestond uit dossierstudie en een spreekuur waarbij rekening werd gehouden met psychische klachten en longproblemen. De arbeidsdeskundige selecteerde functies passend bij de beperkingen, resulterend in een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De bezwaarverzekeringsarts had alle medische stukken beoordeeld, ook al hadden deze geen betrekking op de peildatum. De Raad vond geen reden om aan de uitkomsten van het onderzoek te twijfelen, mede gezien de bijna tienjarige periode tussen eerste ziektedag en aanvraag. De eigen beleving van appellant kon geen doorslaggevende rol spelen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.