ECLI:NL:CRVB:2013:2113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant is in mei 2008 arbeidsongeschikt geraakt door rugklachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na bezwaar werd een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,55%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en de beperkingen correct waren ingeschat.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten over pijn, vermoeidheid en psychische beperkingen en betwistte de geschiktheid van de voorgehouden functies, evenals de opleidingseis. De Centrale Raad overwoog dat de medische beoordeling, inclusief de beoordeling van de progressieve ziekte M. Bechterew, juist was en dat de bezwaarverzekeringsarts terecht geen urenbeperking had vastgesteld. Appellant leverde geen nieuwe medische gegevens aan die twijfel konden zaaien.
Ook de arbeidskundige beoordeling van de voorgehouden functies werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld. De bezwaararbeidsdeskundige had functies aangepast en toegelicht waarom deze passend waren, ook met betrekking tot de opleidingseis. Omdat appellant geen nieuwe arbeidskundige gronden aanvoerde, slaagde het hoger beroep niet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.