ECLI:NL:CRVB:2013:2118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding inkomensschade wegens geen daadwerkelijke derving tijdens FPU-periode
Appellant verzocht het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland om een vergoeding van €100.000,- als compensatie voor inkomensschade die hij stelt te hebben geleden door een geringe bijverdienmarge tijdens zijn FPU-periode van 1 april 2006 tot 1 februari 2010. Het college wees dit verzoek af, wat leidde tot bezwaar en vervolgens beroep bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belang had bij een oordeel over inkomensschade, aangezien hij geen bijverdiensten had genoten.
In hoger beroep stelde appellant dat het college zijn bijverdienmogelijkheden actief had geblokkeerd en dat hij zich had voorbereid op bijverdiensten door scholing en bedrijfsactiviteiten. Het college verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad waarin werd vastgesteld dat appellant geen bijverdiensten had opgegeven. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geen procesbelang heeft bij vergoeding van inkomensschade omdat er geen daadwerkelijke derving van inkomsten heeft plaatsgevonden.
De Raad stelde vast dat het feit dat appellant kosten maakte en tijd investeerde in het opzetten van een bedrijf en het volgen van een studie niet leidt tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van inkomensschade wordt afgewezen wegens het ontbreken van daadwerkelijke derving van inkomsten tijdens de FPU-periode.